‘Admit you’re bored!’
Deze zin las ik op een bruggenhoofd, zo’n twintig jaar geleden, stilstaand in de file tijdens onze rit van Bristol naar Londen. Het was een gewoonte geworden, we wisten uit ervaring dat het verkeer zou stroppen bij het binnenrijden van The City. En toch sloeg dat zinnetje aan. Niet alleen waren wij op dat moment verveeld, tezelfdertijd vertelde die zin ons veel meer. Ook als het verkeer vlot gaat, rijden wij mensen verveeld onder bruggen door. En ook als we niet autorijden, handelen wij dikwijls uit een soort verveling dat het resultaat is van een vluchtig en onzorgvuldig leven aan de oppervlakte, waarin alleen het resultaat telt, het definieerbare en het telbare.
Verveling…er bestaan vele soorten. De meest sluipende is deze die optreedt vanuit gewoonte, vanuit diep ingeslepen gedragspatronen waardoor ons leven een sleur wordt. Een spirituele benadering van het leven kan ons leren oog hebben voor het altijd nieuwe van de dingen. De mooie bijdrage over spiritualiteit in dit nummer handelt over dergelijk leven onder de oppervlakte. Dōgen, een zenboeddhist, wordt in de tekst geciteerd. Hij vertolkt hetzelfde soort emotie en (natuur)gevoel dat ook in de spiritualiteit van het shinboeddhisme aanwezig is. Dōgen verwijst naar een vogel en een vis om ons iets duidelijk te maken over de aard van (boeddhistische) spiritualiteit: aangrijpend eenvoudig, simpel en ‘goed’…Zo eenvoudig misschien dat het …vervelend overkomt. Zo eenvoudig dat mensen op de vlucht gaan voor deze ‘ondraaglijke lichtheid’ van het leven. De vogel en de vis van Dōgen leren ons ook dat de diepte van het leven overal kan gevonden worden, in onze achtertuin of voortuin, in de boomkruin achter ons balkon, in de vijver in het park, in ons, in alle wezens, ’op de punt van een konijnenhaartje’- een beeld uit het Avatamsaka Sutra, dat ook door Shinran Shonin wordt gebruikt. Ook op de punt van een konijnenhaar, niet alleen boven op de Mount Everest, of bengelend aan een benji-koord!
In deze Ekō staat ook een overweging over de visie en het belang van T’an-luan voor de Jōdo-Shinshū. Hij was aanvankelijk als neo-taoist op zoek naar de onsterfelijkheid. Maar zijn ontmoeting met Bodhiruci, de boeddhistische monnik, veranderde alles: hij werd er op gewezen dat hij altijd al in het onmeetbare leven - Amitāyus- was geweest, en het onmeetbare leven altijd al in hem, dat onsterfelijkheid niet moest gezocht worden in uiterlijke middelen, maar uit de duisternis van zijn onwetendheid in het licht moest worden gebracht. De wereld van geboorte en dood overstijgen is waarlijk de onsterfelijkheid realiseren.
In een andere bijdrage wordt het leven van Issa geëvoceerd. Zoveel verdriet en tegenslag, en toch zoveel aanvaarding en gevoel van éénheid met het leven…Een ontroerend verslag…
Deze drie figuren, Dōgen, T’an-luan en Issa, zijn bodhisattva’s die ons inspireren en een weg tonen naar het leven zelf, niet naar de ontsnappingsroute die wij ‘ons leven’ noemen…
Waarachtig leven vraagt om onthechting. Als we voortdurend alles willen sturen en berekenen, een ‘boekhouding’ houden, maten en gewichten en oordelen en opinies hanteren, en teveel anticiperen op wat kan komen, dan missen we het leven zélf, en worden wij neurotische, lijdende wezens. Het moment van loslaten, shinjin, het ogenblik waarop het besef doordringt dat het ‘allemaal niet moet’, en dat er niets dient bewezen te worden, is een grote bevrijding. De filmmaker Jim Jarmusch zei ooit: ‘Als je niet weet waar naar toe, dan kun je ook niet verdwalen.’
Ik ben geneigd zoiets groot vertrouwen te noemen…
M.S.
|
|
|
|
|
|
Ekō 97 |
|
© 2003 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |