Meester Tao-Ch’o

José Pimienta

Deze(vertaalde) tekst werd voorgelezen tijdens het Frühlingstreffen begin mei in Antwerpen. Onderwerp was de Kōso-Wasan van Shinran Shonin, over de zeven patriarchen. In het vorige nummer werd T’anluan, de eerste Chinese patriarch behandeld. De bedoeling was een persoonlijke interpretatie te geven van de verzen. In de volgende Ekō komt nog een lezing uit deze ontmoeting aan bod. (ms)

Tao-Ch’o of Do-Chaku werd ongeveer 1440 jaar geleden geboren tijdens de noordelijke dynastie toen keizer Wu regeerde. Dat was in het derde jaar van Pao-Ting, elf jaar na de geboorte van de prins Shotoku in Japan.

In die tijd was China onderverdeeld in verscheidene landen: de zuidelijke dynastie Nan-cho, de noordelijke dynastie Hoku-Cho etc…

Van jongs af aan was Tao-Ch’o zeer fatsoenlijk en beleefd. Hij was zeer eerlijk, goudeerlijk, zodat men niets dan goed van hem vertelde. Reeds op zijn veertiende verzaakte hij aan het wereldse leven en trad in bij een boeddhistische monnikenorde, waar hij later tot priester werd gewijd. Hij bestudeerde het Nirvana-Sutra gedurende vele jaren. Men zegt ook dat hij tweehonderd maal het Meditatie-Sutra grondig bestudeerd heeft.

Aanvankelijk was hij een welbekende zenmeester. Naar aanleiding van een bezoek aan de beroemde Hsuan-Chung Tempel, waar T’anluan geleefd had, kwam hij in contact met de Reine Landleer. Hij had altijd al veel respect gehad voor meester T’anluan, en toen hij tegenover het gedenkteken gewijd aan de meester T’anluan stond, was het alsof hij de meester persoonlijk gekend had. Later heeft hij dikwijls tot zijn leerlingen met betrekking tot de meester gezegd: ‘indien T’anluan de zon zou zijn, dan zou ik slechts een kleine vlek zijn aan het firmament, ware hij een diamant, dan zou ik slechts een eenvoudig steentje zijn.’

Meester Tao Ch’o wijdde zich ook toe aan de spirituele bevrijding van zijn tijdsgenoten, door hen de Leer van het Reine Land te verklaren. Hierover merkte Genku Shonin op: ‘De meditatiemeester Do-Shaku gaf zijn grote werk over het Nirvana-Sutra op en verspreidde uitsluitend de praktijk van het Westen’, m.a.w. hij predikte, verklaarde met eenvoudige woorden de leer van het Reine Land, het Land van Vrede en Gelukzaligheid, toegankelijk voor iedereen door middel van de Nembutsu’.

Shinran Shonin schreef zeven hymnen ter ere van de meesters.

In de eerste hymne wordt benadrukt dat meester Tao Ch’o het heilige pad shōdōmon, de verlichtingsweg door middel van eigen krachtinspanningen verwierp, en dat voor ons enkel het pad van het Reine Land begaanbaar is.

De tweede hymne leert ons dat meester Tao Ch’o aan zijn omvangrijk werk over het Nirvana- Sutra verzaakte en zijn toevlucht tot Ander-Kracht nam.

Dit raadde hij alle wezens van de ‘wereld der vijf bevlekkingen’ aan.

De derde hymne zegt ons dat wij nu leven in het tijdperk van de ‘verworden leer’, de onreine en triestige periode waarin onophoudelijk ellende heerst en zichtbaar wordt: hoewel de wezens de oefeningen van het Heilige Pad volgen, kunnen zij geen Verlichting realiseren.

De vierde hymne leert ons dat Tao-Ch’o de leer van meester T’anluan ontvangen heeft, en hij trok daaruit de conclusie dat het Nirvana door eigen inspanning in deze wereld niet te realiseren is.

Onder ‘inspanningen’ moet men verstaan: goede daden en andere praktijken, dus alle leringen gebaseerd op religieuze, morele of ethische werken en praktijken, buiten de Nembutsu. Daarmee wordt niet gezegd dat men geen goede werken moet doen, integendeel, als mens moet men zijn medemensen helpen en vol medelijden tegemoet komen. En niet alleen maar de mensen, maar alle levende wezens. Echter niet met de bedoeling hierdoor de Verlichting te realiseren.

In de vijfde Hymne spreekt men van ‘uitbarstingen van blinde driften in deze wereld van bevlekkingen’, en men zegt dat deze ‘gelijken op stormwinden en stortregens’. Met deze uitbarstingen van blinde driften bedoelt men de ‘Tien Slechte Daden’: moord en doodslag; diefstal, overspel, liegen, barse woorden, woorden die vijandigheid doen ontstaan, ijdele woorden, begeerte, drift en onwetendheid.

En de Boeddha’s die dit vaststellen sporen ons vol mededogen aan onze toevlucht te nemen tot het Reine Land.

Ik meen dat men geen Boeddha moet zijn om deze ‘Tien Slechte Daden’ bij zichzelf te herkennen, bij elk van ons.

De zesde hymne geeft hoop, veel hoop zelfs, en ik citeer:

‘Een leven lang het slechte gedaan hebbend,

richten we ons gemoed met aandacht

en reciteren we onophoudelijk de nembutsu;

zo zullen alle hindernissen als vanzelf wegvallen.

In de zevende hymne wordt de hoop herhaald, wanneer Shinran schrijft dat Amida ernaar streeft de voelende wezens te leiden en ze tot ‘geboorte te brengen’ - ook als ze in hun levens alleen maar ‘slechte’ daden hebben gesteld. En tezelfdertijd toont hij ons de weg naar het Reine Land. Hij zegt ons wat wij moeten doen, heel eenvoudig, de Nembutsu oprecht uitspreken met een gevoel van dankbaarheid en vertrouwen in het hart.

Tot slot wil ik nogmaals de belangrijkste punten herhalen:

Primo: Tao-Ch’o maakt onderscheid tussen het pad der heiligen,

‘shōdōmon’ en het pad van het Reine Land, ‘jōdomon’.

Secundo: Hij vestigt onze aandacht op het feit dat wij leven in het

 tijdperk van de verworden leer (mappō ji), en dat wij door

 de oefeningen van het heilige pad te volgen geen Verlichting

 zullen realiseren.

Tertio: onze gevoelens en onze manier van leven worden vergeleken

met bruisende stormen en wolkbreuken. Hier wordt naar onze ‘bonno’ verwezen. Voor dit probleem wordt ons een oplossing geboden. Men geeft ons hoop en toont ons de juiste weg.

Namu Amida Butsu.

En wanneer U nog wilt weten waarom ik Tao-Ch’o gekozen heb, dan wil ik U dit ook nog toelichten. Namelijk: voor mij is hij de meester van de ‘finger pointing to the moon’. Hij heeft mij de juiste weg getoond. Is het toeval of niet, dat mijn boeddhistische naam, mijn hōmyō-naam dus, Cho Dō is, wat ‘juiste weg’ betekent?...

Ekō 98

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

            home