In de confrontatie met religieus of politiek fundamentalisme enerzijds en verregaande vormen van individualisering en secularisering anderzijds biedt de Nembutsu de mogelijkheid deze extremen te boven te komen. Dat was het thema van de ‘European Shin Conference’, vorige zomer in Antwerpen.
In dit nummer staat de bijdrage van onze lokale sangha waarin de visie op de werkelijkheid van T’an-luan, onze 3e Patriarch in het licht wordt gesteld. T’an-luan slaagde erin de kern van de Leer van de Boeddha, de filosofie van de Middenweg, een nieuwe dynamiek te geven. Wat hij daarbij uitdrukt is tevens de kern van waarachtige religie: het ene, het individu kan niet zonder de totaliteit waarin hij leeft, en omgekeerd, de totaliteit heeft nood aan elk afzonderlijk individu.
In deze optiek is het interessant de uitspraken te zien van vooraanstaande boeddhisten in verband met de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ door de Verenigde Naties. Deze verklaring betekende een belangrijke stap naar de bevrijding van het individu. Niet alleen de geschiedenis, ook de actualiteit tonen ons de ellende die ontstaat wanneer mensen in hun lichaam en geest onderdrukt worden in naam van één of ander ideaal!
L.P.N. Perera, professor in Pali en Boeddhistische Studies in Sri Lanka, heeft reeds in 1991 vastgesteld hoe voor elk artikel van de Verklaring een ondersteuning te vinden is in de Pali Canon – er wordt dus niets ‘nieuws’ verteld in de ogen van de boeddhisten.
En toch worden er kanttekeningen aangebracht bij de idee van een formele Verklaring. De idee van ‘onvervreemdbare’ individuele rechten beperkt immers het belang van de collectiviteit en van de maatschappelijke instituties waarin het individu leeft. Deze begrenzingen zijn er omwille van de individuele vrijheid. Hoewel de problematiek van die begrenzing werd opgenomen in de oorspronkelijke agenda van de besprekingen van de VN, blijft er toch het feit dat het principe van ‘Mensenrechten’ aan een leven op zichzelf is begonnen. Het is ‘typisch westers’ om het individueel belang zo centraal te stellen. Aziatische en Afrikaanse volkeren hebben daarin soms een ander aanvoelen. Voor hen is de collectiviteit belangrijker dan het individueel belang. Dat dit óók tot ontsporingen kan leiden in handen van fanatici is duidelijk – maar toch dreigen wij in het westen het collectieve aspect uit het oog te verliezen.
Alleen de nadruk leggen op de individuele rechten is niet genoeg om een morele gevoeligheid en sociale verantwoordelijkheid te waarborgen. Sommigen (ook niet-boeddhisten) pleiten daarom voor een ‘Universele Verklaring van de Menselijke Verantwoordelijkheid’, naast de Universele Verklaring van de Mens – in het kader van het ‘Global Ethics Project’ van de Verenigde Naties. Rechten en verantwoordelijkheden zijn namelijk complementair aan elkaar – sluiten mekaar niet uit…In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd opgesteld wordt trouwens expliciet gesteld dat de vrijheid van het individu ophoudt waar de rechten van de andere, de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn worden bedreigd.
De leer van de Boeddha en de Jōdo-Shinshū geeft ons het waardevolle inzicht dat het individu én het geheel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Shitoku Peel stelt in zijn ‘Filosofie en Mystiek van de Jōdo-Shinshū’ dat in Shinjin ‘het sociale opgenomen wordt in het religieuze’.
Het besef van onderlinge afhankelijkheid van het individu en een grotere werkelijkheid wordt krachtig uitgedrukt in Jōdo-Shinshū: ons spiritueel geluk kan niet gerealiseerd worden door zelfkracht, maar wij zijn daarvoor afhankelijk van de ons overstijgende werkzaamheid van Ander-Kracht, dat Oneindig Mededogen is. In ons verlangen een ‘betere’ of een ‘vrijere’ mens te worden, beseffen wij niet hoe arrogant deze wens wel is. Wij kúnnen immers onze blinde passies niet ‘uitgommen’. Dit besef dringt pas tot ons door wanneer wij met onze rug tegen de muur staan, en onszelf zien zoals we zijn: krachteloos. Dat is het omvormende moment van Shinjin: wij beseffen dat wij het niet te min moeten vinden om ‘maar’ een gewoon mens te zijn, wij moeten geen ‘betere’ mens willen worden, maar een aanvaardende mens. Onze ‘blinde passies’ verdwijnen niet, maar worden door Anderkracht omgevormd en gebracht tot deelname aan het Groot-Mededogen. Wanneer wij ons aldus ingevoegd hebben in de noodzakelijkheid van een grotere orde kunnen wij spreken van ‘ware vrijheid’.
Deze ‘niet-zelfwerkzaamheid als ware werkzaamheid’ uit de Tannishō, waar Prof. Inagaki in een tempelrede in deze Ekō naar verwijst, betekent tevens dat niet alleen ‘ik’ word bevrijd, maar omdat Ander-Kracht in mij handelt, ik tevens deelachtig word aan de bevrijding van de ander. (Martine Strubbe)
"De Nembutsu uitsprekend, vlug Boeddha worden en met het hart van grote liefde werkzaam zijn ten voordele van de voelende wezens… Daarom is enkel het uitspreken van de Nembutsu het ware gemoed van zinvol mededogen."
|
|
|
|
|
|
Ekō 103 |
|
© 2004 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |