Een woord vooraf

Maart draagt de belofte van de lente in zich, van de wedergeboorte in de natuur – maar op het ogenblik waarop deze Ekō tot stand komt, is het bitterkoud buiten en het sneeuwlandschap wondermooi…

En toch komt de lente er aan…

In ons Centrum werd hard gewerkt aan allerlei plannen om de Leer van de Boeddha en van Shinran meer aanwezig te maken rondom ons. Onze voorzitter, Fons Martens, brengt ons hierover een boodschap, verder in dit nummer.

Hoewel de behoefte aan religie nog altijd reëel is, schijnt het in onze maatschappij toch niet meer zo evident om tijd vrij te maken ervoor. Dat is misschien omdat er onduidelijkheid is over wat religie nu echt is. Als het een reeks dogma’s betreft, of morele voorschriften, dan wil men daar niet meer van horen. En toch blijft men soms wezenloos achter met grote existentiële problemen, ten prooi aan een gevoel van zinloosheid, eenzaamheid, verlatenheid, van het niet kunnen kiezen. Religie biedt nochtans een krachtige vingerwijzing om ons leven in perspectief te leren plaatsen. Dat wil zeggen, ons leren te leven vanuit het perspectief van het Onmeetbare Leven, Amida, dat zich als Ander-Kracht aan ons ‘openbaart’, en dat wij verklanken als ‘Namu Amida Butsu’.

Het tegemoet treden van het dagelijkse leven vanuit Ander-Kracht leidt tot een doorleefde en vervullende ervaring van het leven, waar niet zozeer het stellen van de zinvraag aan de orde is, waar geen zin moet gezocht worden, maar waar zin gevonden wordt door met alle dingen in de wereld inzichtelijk om te gaan, door in de wereld de taken van alle dag in perspectief te vervullen. Zo is religieus denken vooral een realistisch denken, een uittocht uit de illusie, en een praktische filosofie, die de weg bewandelt doorheen het alledaagse waarin een ‘eigenzinnige maar zinnige’ omgang met de wereld mogelijk wordt, zonder gevaar te lopen zich vast te rijden in de modder van een plat materialistisch, egocentrisch en uitzichtloos bestaan – noch zich over te geven aan een fundamentalistische, idealiserende interpretatie van religie. Zo kan de mens deze wereld van de tijdelijke fenomenen ten volle affirmeren, want elk gebeuren, elk ding kan een teken worden van een werkelijkheid die veel groter is dan hemzelf en die zijn eigen beperktheid en verantwoordelijkheid blootlegt.

In de Jodō-Shinshū wordt daartoe in feite weinig gevraagd - het is een ‘gemakkelijke’ weg tot inzicht! Maar die gemakkelijkheid is wel gebonden aan een grote voorwaarde: elk streven om een moreel ‘beter’ mens te worden moet worden losgelaten. Want een ‘goed mens willen worden’ is eerder een belemmering om écht contact te maken met het religieuze - maar dit inzicht ontstaat pas nadat wij daar persoonlijk mee geworsteld hebben. Het is in deze worsteling dat de reden ligt waarom wij de Weg van de Boeddha toch als moeilijk ervaren. De worsteling loslaten biedt rechtstreeks toegang tot Amida, opent de deur voor Ander-Kracht, voor de Nembutsu.

“De Nembutsu is het leidend beginsel in mijn bestaan. Hij is niet zozeer een beginsel tot ‘doen’, maar veeleer tot niet-doen. Hij houdt mij in alle stilte tegen wanneer ik meegesleept word door onheilzame prikkels binnen in mij of door al te misleidende krachten buiten mij. In de steeds maar voort wervelende maalstroom van het leven geeft de Nembutsu mij ruimte om te ademen, even stil te staan en een blik te werpen op de aanéénrijging van op het ‘ik’ ingestelde begeertes, die nooit ophouden weer tot nieuw handelen op te jagen. In de enkele korte ogenblikken van de dag dat de Nembutsu zachtjes in mijn hart trilt, word ik gebracht tot het overwegen hoe groot Amida’s Handelen wel is.” (Hisao Inagaki)

Het is een opluchting wanneer ingezien wordt dat het heilzaam is los te laten, en dat dit kan door rustig en aandachtig te leven, zonder de ogen te sluiten voor de werkelijkheid waarin we leven – noch onze ogen te sluiten voor onze eigen beperkingen, en deze te aanvaarden. Die opluchting is de dankbaarheid van de myōkonin O’Karu, die door haar spontane overgave aan de Ander-Kracht, in staat is het leven te ervaren als altijd nieuw, met eindeloze mogelijkheden:

“Hoe dankbaar ben ik:
Door alles over te laten
Aan de wind van de Dharma,
Voel ik dat het altijd lente is.”

(O’Karu)

Deze levenshouding kan overal ontwikkeld en beleefd worden, de Nembutsu kan overal gehoord worden.

Dat niet alle shinboeddhisten regelmatig naar de tempel komen moet niet als negatief beschouwd worden. Leven in vertrouwen maakt duidelijk dat alle wezens in de wereld sangha zijn geworden. De kleine sangha van de Jikoji - tempel kan wél helpen als inspiratiebron, als plaats waar dankbaarheid kan getoond worden samen met anderen, én als middel om andere wezens op het pad van de Leer te zetten. De grote wereldwijde sangha heeft ook de kleine sangha van Jikoji nodig…

Namu Amida Butsu!

Martine Strubbe.

Ekō 104

jikōji - 慈光寺

© 2005

info-at-jikoji.com

            home