Martine Strubbe
In Eko103 werd de Jōdo-Shinshū gesitueerd binnen het geheel van het boeddhisme. Hierbij werd vertrokken vanuit de opinies van Hōnen en Shinran Shōnin, die argumenteerden vanuit de doctrine zelf.
In het huidige artikel willen we de Jōdo-Shinshū situeren aan de hand van een kort historisch en geografisch overzicht.
Siddhārtha Gautama, de historische Boeddha (Śakyamuni) heeft in toestand van diepe concentratie (samadhi) inzicht verworven in de ‘Vier Edele Waarheden omtrent het lijden’. Dit was een ervaring voorbij de woorden, die een on-middellijk inzicht gaf in de ware aard der dingen. Die ervaring verwoordde hij in een taal en in beelden conform aan zijn tijd en cultuur. Al zijn leerredes zitten o.a. vervat in de Pali Canon en vertegenwoordigen de oudste vorm van boeddhisme, zoals die in de Theravada - school van het hinayana - boeddhisme (kleine voertuig) beleden wordt.
Latere volgelingen van Śakyamuni die zelf Verlichting hadden gerealiseerd, hebben op hun beurt leerredes uitgesproken, waarin de basisvisie van de historische boeddha werd bevestigd, maar waarbij andere beelden werden gebruikt. Omdat ze zelf Boeddha waren geworden, en zich invoegden in de ‘religieuze familie’ van Śakyamuni, legden ze hun woorden in de mond van de historische Boeddha - teneinde de continuïteit van de traditie te verzekeren. Deze sutra’s die vooral ontstonden vanaf de éérste eeuw v.C. vormden de aanzet tot wat wij het mahayana - boeddhisme noemen (grote voertuig). Deze vorm van boeddhisme laat ook ‘leken’ toe op een volwaardige manier de Leer te volgen en is meer gericht op het ‘in de wereld blijven’ en op de spirituele solidariteit van de bodhisattva.
Deze leerredes werden daarna door diverse filosofen van commentaar voorzien, en verwerkt tot bruikbare paradigma’s.
De Boeddha-dharma heeft zich verspreid en verder ontwikkeld in alle richtingen:
* In zuidelijke richting, naar streken waar nu nog altijd vnl. Theravada boeddhisme beleden wordt zoals Sri Lanka (waarheen Keizer Aśoka zijn bikkhu zoon Mahinda zond in de -3e eeuw), Thailand (- 3e eeuw) en kort daarna Laos, en vanaf de 5e eeuw Birma (met een hoogbloei in de 10e eeuw) en Indonesië, Cambodja (13e eeuw)
* In noordelijke richting werd het vroege boeddhisme, met reeds een aanzet tot mahayana-denken verspreid naar het huidige Afghanistan, en via de Khyber Pass en de Hindu Kush, over de zijderoute naar China (‘Tempel van het Witte Paard’ in Lo Yang) vanaf de 1e eeuw n.C.
Allerlei teksten sijpelen in de daaropvolgende eeuwen China binnen, o.a. de drie Reine Land sutra’s, traktaten van Nagarjuna en Vasubandhu die onmiddellijk vertaald worden naar het Chinees.
Omwille van sterke gelijkenissen met het taoïsme, ontstaat een wederzijdse beïnvloeding van termen en een dynamisering van het boeddhisme.
Er vormen zich bewegingen rond bepaalde sutra’s en praktijken: zitmeditatie, visualisatie, recitatie van mantra’s, waardoor zich de latere scholen beginnen te profileren: Ch’an, Reine Land, Hua Yen, T’ien tai.
Vanaf de 4e eeuw komt het boeddhisme naar Mongolië en Noordelijk Vietnam en Korea. Via Korea gaat het boeddhisme naar Japan (vanaf 538 n.C.) Het betreft hier allerlei vormen van mahayana denken.
Tibet maakt een eerste keer kennis met het boeddhisme in de 7e - 9e eeuw, een tweede keer in de 10e - 11e eeuw; Nepal vanaf de 8e - 10e eeuw. Sikkim, Bhutan en allerlei streken van zuidelijk Rusland volgen (17e eeuw!). Dit zijn vormen van lamaïsme.
* Het boeddhisme kwam pas veel later naar het ‘westen’ (en het ‘oosten’): via Hawaï naar Noord-Amerika (vooral de Westkust) vanaf de 19e eeuw, toen Japanse immigranten hun religie meebrachten. Hetzelfde fenomeen deed zich voor in Zuid-Amerika (Argentinië, Chili, Peru, Brazilië)
In Europa maakte men vanaf einde 19e eeuw kennis met het zenboeddhisme en het Tibetaanse boeddhisme; de laatste 25 jaar verscheen hier ook het Reine Landboeddhisme, o.a. als Jodō-Shinshū.
Alle boeddhistische scholen van het kleine en het grote voertuig vertrekken vanuit de Vier Edele Waarheden van de Boeddha.
Zij verschillen in de keuzes die ze maken uit de diverse leerredes waarop ze hun praktijk willen stoelen. Deze leerredes benadrukken soms een bepaald aspect uit de leer van de Boeddha meer dan een ander aspect.
Een ander verschil zit in de aanpak van de vierde edele waarheid: het pad dat leidt naar de opheffing van het lijden, de manier dus waarop de Verlichting kan worden gerealiseerd. Ook deze keuze kan beïnvloed zijn door één of andere leerrede.
De Jōdo Shinshū
De Jōdo-Shinshū behoort tot de recentere vormen van mahayana boeddhisme die zich ontwikkelden in Japan in de 12e - 13e eeuw, tijdens het Kamakura Shogunaat. Deze periode van oorlogen, natuurrampen en hongersnoden kende een grote opbloei van het boeddhisme. Grote hervormers zoals Dōgen, Nichiren, Hōnen en Shinran Shonin, de stichter van de Jōdo-Shinshū, ontwikkelden vormen van boeddhisme die nu nog bestaan in Japan.
De Jōdo-Shinshū is een aparte vorm van Reine Landboeddhisme, waarvan de oudste sporen feitelijk teruggaan tot het India van rond het begin van de christelijke tijdsrekening, toen de voor Jōdo-Shinshū zo belangrijke sutra’s in verband met het Reine Land ontstonden.
Shinran zag in de ontwikkelingsgang van het boeddhisme zeven figuren - de patriarchen - die zich hadden uitgesproken over wat later de beslissende elementen zouden worden van de Jōdo-Shinshū. In vorige afleveringen van Ekō werden deze patriarchen reeds besproken. Voor Shinran betekende het samenbrengen van deze elementen de culminatie van het mahayana - denken.
De Drie Reine Land Sutra’s
Zoals reeds werd opgemerkt, ontstonden bij benadering vanaf de eerste eeuw vóór Christus de oudste mahayana leerreden. Hieronder kunnen ook de drie sutra’s gerekend worden waarop het Reine Landboeddhisme zich baseert.
Deze leggen de klemtoon op het gedenken op één of andere manier, van de Boeddha en zijn Reine Land, als middel om het boeddhaschap te realiseren.
Typisch voor de mahayana - sutra’s is dat de Leer belangrijker wordt dan de persoon van de historische Boeddha. Daarenboven is meer en meer sprake van ‘kosmische boeddha’s’, dit zijn niet-historische boeddha’s, meditatieve boeddhafiguren die een kosmisch formaat aannemen en een symbolisering zijn van de Verlichting. Zo wordt er in de vele leerreden gesproken over bijvoorbeeld Boeddha ‘Amitāyus’ (‘Boeddha Onmeetbaar Leven’), Boeddha ‘Amitābha’ (‘Boeddha Onmeetbaar Licht’), Vairocana etc…
Vermits al deze boeddha’s de Verlichting voorstellen, zou Shinran Shonin later alleen nog spreken over ‘Amida’, een samenvoeging van Amitābha en Amitāyus.
De term ‘Reine Land’ verwijst naar de Verlichting, Nirvana - het uitgezuiverde gemoed zonder bevlekkingen.
Hier worden de 48 geloften uitgesproken door de monnik Dharmākara, de toekomstige Boeddha Amitabha. Een klein aantal van deze geloften zal door Shinran Shonin speciaal opgemerkt worden, maar uiteindelijk zal de 18e gelofte de essentie gaan uitmaken van het latere Jōdo Shinshū.
Hierin wordt op zeer kleurrijke wijze het Reine Land symbolisch beschreven. In vroegere Reine Landpraktijken was deze beschrijving bedoeld als meditatieobject (bvb. visualisatiemandala), of als ‘geschikt middel’ voor de ‘ongeletterden’ om met de Leer om te gaan.
Hier worden 16 mogelijkheden opgesomd om tot een contemplatie van het Reine Land te komen, afhankelijk van het (on)vermogen van de persoon in kwestie: visualisaties, recitaties, ontwikkelen van het Gemoed van Vertrouwen en het reciteren van de naam van de Boeddha Oneindig Leven.
De praktijk om de Boeddha Amitābha/Amitāyus te gedenken, de naam uit te spreken of één of ander ritueel gericht op deze Boeddha’s uit te voeren, komt in veel mahayana – scholen voor als ‘nevenpraktijk’. Het gedenken van Amitābha/Amitāyus fungeert daar als aanvulling bij de meer omslachtige praktijken. De cultus van Amitābha, van Indiase oorsprong, werd vanaf de 4e eeuw ingevoerd in China.
Deze ‘nevenpraktijken’ noemt men ‘Amidisme’ en men treft dit fenomeen aan in alle gebieden waar het mahayana boeddhisme wordt beoefend: China, Japan, Korea, Mongolië, Vietnam, Tibet.
Pas wanneer uitsluitend rituelen en meditaties rond Amitābha/Amitāyus beoefend worden, spreekt men van Reine Landscholen. Dergelijke scholen vindt men in Korea, China en Japan.
Het is in China dat men min of meer kan spreken van een eerste aparte Reine Landstroming, waarin het gedenken van het Reine Land en Amitāyus/Amitābha als hoofdpraktijk voorkwam.
Deze stroming, en ook de meeste latere Reine Landscholen, gebruikten de recitatie van de Naam als zelfkracht - praktijk. Dit betekent, dat het door de inspanning van de adept zelf is, dat de Verlichting wordt gerealiseerd. Het is pas bij Shinran Shonin, o.a. beïnvloed door de Chinese patriarch T’an-luan, dat de eerste school van Ander-Krachtpraktijk (‘Tariki’) ontstaat, waar het niet door de inspanning van de volgeling is dat Verlichting wordt gerealiseerd, maar enkel en alleen door de werkzaamheid van het boeddhaschap.
|
|
|
|
|
|
Ekō 104 |
|
© 2005 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |