Martine Strubbe
Het sleutelbegrip oorzakelijkheid staat centraal in de leer van de Boeddha. Zo wordt in de tweede Edele Waarheid verklaard welke oorzaken en omstandigheden er in onderlinge afhankelijkheid oprijzen en lijden tot stand brengen (de Pratītya Samutpada).
Die oorzakelijkheid is ook het verbindende principe tussen de vier waarheden onderling, ook hier speelt de wetmatigheid van oorzaak en gevolg: de eerste waarheid (lijden) is het gevolg van de tweede (de oorzaak van het lijden), terwijl de derde (opheffing van het lijden, Nirvana) het gevolg is van de vierde (het pad).
Deze voorstelling maakt ons duidelijk dat elk van de vier edele waarheden maar echt zinvol worden als we ze samen willen zien. Elke ‘waarheid’ op zich ontvangt betekenis, kracht en werkzaamheid dankzij de drie andere.
De eerste twee waarheden, die betrekking hebben op het lijden en de oorzaak ervan, behoren tot het rijk van ‘geboorte en dood’ (samsara). Zij kunnen symbolisch voorgesteld worden als een gesloten cirkel: allerlei oorzaken en omstandigheden veroorzaken het lijden, en het lijden veroorzaakt nieuwe omstandigheden van lijden, die verder lijden veroorzaken en zo voort. De oorzaak van het lijden werd door de Boeddha blootgelegd: het is de begeerte. Die begeerte ontstaat vanuit een fundamentele denkfout die wij maken doordat wij het waanbeeld van een onveranderlijk ‘ik’ scheppen. Van die ‘ik – illusie’ zijn wij ons niet bewust – deze denkfout ontstaat immers in het onderbewuste deel van onze persoonlijkheid, en is daarom zo moeilijk ‘vast te stellen’. Maar de begeerte, in alle mogelijke vormen, is wél vast te stellen door iemand die hiervoor een (kleine) inspanning wil leveren.
De laatste twee waarheden, betreffende de opheffing van het lijden, en het pad dat voert naar de opheffing van het lijden, behoren niet tot het rijk van samsara. Deze twee waarheden kunnen voorgesteld worden door een spiraal, waarin de beweging niet gebeurt in een gesloten cirkel, maar een openheid biedt naar diepere dimensies in onze ervaring.
In de Majjhima-Nikāya 141 staat Boeddha’s eerste Prediking na zijn Verlichting, het Saccavibhanga Sutta [2] , waarin hij zijn inzichten omtrent het lijden verwoordt.
Daarin stelt Boeddha de vraag: “Wat echter, o monniken, is de Edele Waarheid van het Lijden?”.
Het woord ‘lijden’ klinkt zo zwaar op de hand. Hoewel er geen beter woord bestaat om de ellende te beschrijven die zich dagelijks voordoet in de wereld (oorlog, geweld, racisme, allerlei vormen van uitbuiting en misbruik…) speelt de lijdenservaring zich ook op een subtielere manier af: in onze dagelijkse kleine irritaties en strevingen zit hetzelfde mechanisme dat ons tot onvrede brengt. Het woord 'duhkhā’ verwijst naar een wiel, waarvan de as en de naaf niet goed op mekaar zijn afgestemd, waardoor het wiel niet goed rond kan draaien. Onze uitdrukking ‘vierkant draaien’ verwijst daar ook naar: er is een wrijving tussen een bepaalde reële situatie, dat wat er is, en hoe ermee wordt omgesprongen… Het gevolg is ellende, wanhoop, frustratie. De Leer van de Boeddha opent onze ogen voor de onaangepaste manier waarop wij met het leven om gaan.
Zo omschrijft de Boeddha het lijden:
‘Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, sterven is lijden. Verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop zijn lijden. Verenigd zijn met hetgeen men niet begeert, is lijden; niet verkrijgen wat men begeert is lijden. Kortom, de vijf groeperingen van gehechtheid zijn lijden.”
Vervolgens omschrijft de Boeddha elk van deze vormen van lijden.
“Wat nu, o monniken, is geboorte? Het worden, baren, vormen, kiemen, de conceptie, het verschijnen der delen, het tot bewustzijn komen: dat, o monniken, noemt men de geboorte.
Wat nu, o monniken, is ouderdom? Van alle voorkomende wezens in elke voorkomende soort, het verouderen en verslijten, het gerimpeld, gebrekkig en vergrijsd worden, het verval van de krachten, het afzwakken van de zinnen: dat o monniken, noemt men de ouderdom.
Wat nu, o monniken, is het sterven? Van alle voorkomende wezens in elke voorkomende soort, het verdwijnen, oplossen, ontbinden, tenondergaan, doodgaan, tijdsvervullen, het uiteenvallen van de delen, het rotten van het lijk: dat, o monniken, noemt men het sterven.
Wat nu, o monniken, is het verdriet? Dat wat men ervaart bij gelijk welk verlies, bij gelijk welk ongeluk dat iemand treft, droefenis, kommer, hartzeer, innerlijke benauwenis, innerlijk wee: dat, o monniken, noemt men het verdriet.
Wat nu, o monniken, is de jammer? Dat wat men ervaart bij gelijk welk verlies dat men lijdt, bij gelijk welke tegenslag die iemand treft, klagen en jammeren, beklagen en bejammeren, weeklagen, weejammeren: dat, o monniken, noemt men de jammer.
Wat nu, o monniken, is de pijn? Al wat lichamelijk smartelijk, lichamelijk onaangenaam, door lichamelijke gewaarwording als smartelijk of onaangenaam ervaren wordt: dat, o monniken, noemt men de pijn.
Wat nu, o monniken, is de ellende? Al wat geestelijk smartelijk, geestelijk onaangenaam, door gedachteberoering als smartelijk of als onaangenaam ervaren wordt: dat, o monniken, noemt men de ellende.
Wat nu, o monniken, is de wanhoop? Al wat bij gelijk welk verlies dat men lijdt, bij gelijk welke tegenslag die men oploopt, ontmoedigend en vertwijfelend is, het versaagd en vertwijfeld zijn: dat, o monniken, noemt men de wanhoop.”
Uit deze tekst kunnen wij opmaken dat er een lichamelijk en een geestelijk aspect is aan het lijden.
Vormen van lijden die ontstaan vanuit het lichamelijk aspect van onze persoonlijkheid hebben te maken met geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Geboorte is lijden, omdat het voor de baby pijnlijk is vanuit de veilige baarmoeder naar buitengedreven te worden, weg van de warme, vochtige, geborgen omgeving. Voor het eerst naar lucht happen moet een nauwelijks voor te stellen verscheurende belevenis zijn. Maar geboorte wordt ook als lijden voorgesteld omdat geboorte oorzaak is van alle latere vormen van lijden. Zonder geboorte ook geen lijden…
Wat lijden aan ouderdom, ziekte en dood betreft, hoeft hier niet veel uitleg gegeven te worden. Wij worden dag na dag in onszelf geconfronteerd met deze situaties, en wij kunnen ze ook duidelijk zien in alle levende wezens waarmee wij dit leven delen.
Deze vormen van lijden zijn onvermijdelijk. Leven is pijnlijk – daar kan zelfs de geneeskunde niets aan veranderen… De Boeddha belooft niet dat zijn leer deze bestaanscondities kan veranderen. Wél kan zijn leer ons de mogelijkheid bieden met deze omstandigheden om te gaan, en er niet meer aan te lijden. Daartoe moet ons gemoed omgevormd worden naar een aanvaarding van dat wat onvermijdelijk is, omdat ingezien wordt dat het deel uitmaakt van de existentie. Een Boeddha ervaart óók pijn, maar hij kan deze pijn plaatsen, ermee omgaan, de veranderlijkheid van lichaam/geest inzien en aanvaarden. Daardoor vermindert de pijn – of wordt de pijn ‘opgelost’.
Omdat wij de pijn van de verandering niet willen aanvaarden verkrampen wij in lichaam én geest, en voegen extra lijden (geestelijk en opnieuw lichamelijk) toe aan de oorspronkelijke ervaring van pijn. Zo komen wij tot de situatie dat wij lijden aan het pijn - lijden, duhkhā wordt duhkhāduhkhatā, lijden in het kwadraat…
Ook wat wij als puur geestelijk lijden beschouwen is uiteindelijk een aspect van het verlangen onszelf in stand te houden – in dit lichaam. Onze verlangens bevredigen betekent ‘in leven blijven’. Zo maken onrust, frustraties, inhibities, neuroses en dergelijke zich van ons meester, zonder inzicht in de onmogelijkheid van een blijvende bevrediging, zonder perspectief op bevrijding. Deze onwetendheid die zich uit als angst en begeerte, is de motor die het wiel van het lijden in beweging zet.
Wat begeerte zo hardnekkig maakt, is eigenlijk het samengaan ervan met de gehechtheid – waardoor wij terechtkomen in een vicieuze cirkel, die ons van begeerte naar begeerte voert. Begeerte kan nooit voldaan worden, er komt altijd ‘iets’ anders in de plaats waarvan wij willen ‘genieten’ of waaraan wij deelachtig willen worden. In het oude India vergeleek men deze situatie met het drinken van zout water wanneer men dorstig is: men krijgt er alleen maar meer dorst van.
In de Abhidharma [3] wordt uit de woorden van de Boeddha in diverse sutta’s volgende opsomming gegeven van de inhoud van het lijden:
“Hebben wat men niet begeert
Niet hebben wat men wél begeert
Het goede dat men heeft, verliezen
Het slechte dat men heeft, niet verliezen
Verlangen naar het goede dat men niet heeft
Vrezen voor het slechte dat men niet heeft
Vrezen het goede dat men heeft te verliezen
Vrezen het slechte dat men heeft, niet te verliezen.”
De Leer van de Boeddha biedt naast inzicht in de mechanismen die ons lijden conditioneren ook een perspectief op bevrijding uit die situatie, door ook de weg te wijzen naar de Verlichting.
Jōdo-Shinshū is een pad van de ‘gemakkelijke praktijk.’ Vertrouwen ontstaat wanneer wij ons voor een muur geplaatst zien: de botsing tussen ons onvermogen en de Wijsheid van de Boeddha. In Shinjin lost de muur op: het moment van diepste wanhoop, van grootste beknelling, wordt bron van bevrijding. Ander-Kracht lost de muur op, zoals een lichtbundel in een kamer die duizend jaar verduisterd was: we worden geraakt door het felle licht van de ware werkelijkheid, en nooit meer losgelaten: het zal nooit meer zijn zoals voorheen.
Een oude wijze heeft gezegd: “Laat de bloemen bloeien wanneer ze willen, laat het gras groeien wanneer het wil. Dan zal uw geest rustig en vreedzaam zijn…
Maar helaas: de mensen van dit tijdperk zijn gevangen en verstrikt in hun eigen driften en in hun eigen opvattingen, en ze zijn verstoord door het gras dat in hun tuin groeit en door de bloesem die zojuist afgevallen is…
De bloemen bloeien zoals ze altijd bloeien. De maan is de maan zoals ze sinds onheugelijke tijden op aarde schijnt. Alle dingen in de natuur zijn mooi wanneer ze zonder zelfzucht bekeken worden.
Maar helaas: ze worden verstrengeld en verdorven, verschillend van hetgeen ze werkelijk zijn als men ze bekijkt doorheen de bril van de menselijke zelfzucht, zelfgenoegzaamheid en egocentrische opvattingen.
Zuiken Inagaki: De Oceaan van de Overgave.
[2] Zie Sh. A. Peel: Aldus heb ik gehoord – De Simpele Weg, 1991 – p. 3
[3] ‘Uitwerking van de Leer’.
|
|
|
|
|
|
Ekō 105 |
|
© 2005 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |