Martine Strubbe
Ō-Bon is het feest van het gedenken van de overledenen - en tevens een gelegenheid tot reflectie op onze eigen dood. Onze eigen lichamelijke, biologische dood ervaren wij als ‘het vergaan’ van ons lichaam, als het eindpunt van een proces dat begon met het ‘ontstaan’ ervan. Dat wat wij ervaren als een vergaan, is uiteindelijk maar een fase in een voortdurende stroom van veranderlijkheid. Nochtans zijn wij niet bereid om deze veranderlijkheid te aanvaarden – omwille van onze zeer diep gewortelde drang om ons in dit leven te handhaven.
De Boeddha behandelde bovenstaande thematiek in zijn Vier Edele Waarheden. Enkele van de kernpunten van zijn leer kunnen samengevat worden in de formulering van de ‘drie kenmerken van de existentie’:
‘Alle bestaansvormen zijn (getekend door) lijden;
Alle bestaansvormen zijn (getekend door) veranderlijkheid;
Alle bestaansfactoren zijn niet-zelf…’
In de tweede Edele Waarheid verklaart de Boeddha hoe lijden zich ‘concreet’, in onderlinge afhankelijkheid, kan ontwikkelen: aan de basis ligt de onwetendheid omtrent bovenvermelde drie kenmerken, een misweten dat ons voert naar begeerte, én gehechtheid aan de begeerte. De sterkste vorm van gehechtheid is echter de gehechtheid aan het leven zelf: bhāva is het resultaat van de ik-gehechtheid en uit zich als gehechtheid aan het wordingsproces, als blinde levensdrang.
Ondanks de veranderlijkheid, en het feit dat wij geen permanente zelfnatuur hebben, klampen wij ons vast aan het in stand houden van onze huidige bestaansvorm en wijzen de veranderlijkheid af; lijden volgt ons op de voet…
Wat kunnen wij als (shin)boeddhist hieraan concreet doen?
Allereerst inzicht verwerven in de veranderlijkheid, en beseffen dat ‘vergankelijkheid’ een wel zeer beperkte kijk op de werkelijkheid inhoudt. Onze eigen vorm vergaat, is ‘vergankelijk’, maar het leven gaat door, gestuwd door de gevolgen van de daden – heilzame of onheilzame - die wij tijdens ons leven hebben gesteld…
Deze ‘wedergeboorte’ van ‘altijd hetzelfde’ duidt de continuïteit aan overheen onze persoonlijke dood…
In de boeddhistische traditie wordt meditatie op de dood veelvuldig toegepast als ‘geschikt middel’ om diep doordrongen te worden door de realiteit van veranderlijkheid. Natuurlijk weten wij dat wij ooit zullen sterven, maar wij verkiezen hieraan geen aandacht te besteden en ontwikkelen allerlei vluchtstrategieën door ons in het ‘volle leven’ te storten, waar genot en vluchtige genoegens onze illusies verder versterken.
In onze westerse cultuur is het ook niet altijd ‘toegestaan’ veel met de dood bezig te zijn. Voor de stoïcijnen bijvoorbeeld is denken aan de dood uit den boze: ‘zolang ik leef ben ik niet dood, en dus moet ik mij niet bezig houden met de dood.’ Zijn de boeddhisten door hun meditaties op de dood dan zo morbide, en geneigd tot een ontkenning van het leven? In het Etnografisch Museum in Antwerpen hangt een Japanse prenttekening van een jonge mooie vrouw, die, omringd door prachtige bloemen en in een comfortabele omgeving geniet van het leven. Maar op volgende prenten zien we de mooie jongedame sterven, en langzaam ontbinden – waarbij alle kleuren van de regenboog aan bod komen. Uiteindelijk blijft er op de laatste plaat niet veel meer over dan wat verweerde vodden, een geraamte met doodshoofd en nog wat niet helemaal verrot vlees…
De bedoeling van dit aftakelingsverhaal is geenszins ons leven te laten overheersen door de dood – maar eerder ons tot een besef te brengen van de uiterste realiteit van ons leven, en hierdoor de waarde en het belang ervan ten volle te affirmeren.
Pas wanneer deze realiteit zich ten volle kan verwerkelijken in ons gemoed, zullen we de volle zin van ons leven vinden, overheen de uitersten van de angst voor de dood die ons ofwel verlamt ofwel ons in de ontkenning tot een oppervlakkig bestaan doemt.
Deze gemoedstoestand is een belangrijk element in het proces van ontwaken voor Ander-Kracht. Immers, in de overgave aan Ander-Kracht ligt de erkenning van onze eindigheid…Deze eindigheid erkennen hangt niet af van de intellectuele kennis die wij hebben omtrent onze sterfelijkheid, maar moet een ‘doorploegd’ besef worden.
In dit religieus proces waarin uiteindelijk zin en betekenis gevonden wordt komen wij er toe het leven in de onzekerheid te aanvaarden: niemand weet wat er hem of haar morgen te wachten staat, niemand weet wanneer hij of zij zal sterven en hoe… Maar in de plaats dat die onzekerheid wanhopig maakt, en doet vluchten in de illusies van de wereld, zal de mens van shinjin in staat zijn te leven in die onzekerheid, in volkomen vertrouwen.
‘Wanneer je denkt dat je veilig bent,
ben je werkelijk in gevaar,
want je bent nooit veilig’
(Zuiken Inagaki)
Een mens van shinjin is ontwaakt tot de werkelijkheid van zijn eigen beperktheid en eindigheid en wordt niet overmeesterd door sombere gedachten over de dood, maar is in staat in vrijheid te genieten van de glans van het leven – bereid te aanvaarden wat komen moet. Namu Amida Butsu.
“In het volle besef dat we ooit zullen sterven, hoe prachtig dit huidige leven…”
(Van een shin-kalender…)
“De meeste mensen realiseren zich nooit dat het met ons alleen hier op een
dag afgelopen is. Maar zij die deze waarheid wel beseffen, vereffenen hun onenigheden
in vrede.”’
(Dhammapada, I,6)
|
|
|
|
|
|
Ekō 106 |
|
© 2005 |
|||||
| home |