Gedicht
Terugblikkend

Mijn nachten zijn rivieren en zeeën,
Vaak woelig en razend,
Maar de dood is een uitgestrekte oceaan
Waarover ik geloodst wordt
Door de Universele Bootsman.
Ik buig mijn hoofd en schrijf.

Zijn Naam is Amida Boeddha,
Dharma leeuw, de Verlichte.
Hij omvatte mij in het Ochtendgloren van de Tijd
En heeft mij nooit meer losgelaten.
Ik ben dankbaar voor zijn Gelofte van bevrijding,
Mijn leven is niet zonder betekenis.

Ik zeg de nembutsu luidop
Want het meubilair in mijn kamer
Heeft oren en ogen. Hij kijkt naar mij
Zittend op de rand van mijn bed
Mijn reis bereidend
Naar het daglicht van morgen.

De kleine jongen die wijsjes fluit
Hem aangeleerd door opstandige boerenknechten
In het Ierland van de jaren veertig
Is meer dan een halve eeuw later
Een dichter die net dezelfde liedjes zingt
Op de trappen van een Vlaams huis.

Hoe vreemd. Wij lijken geen enkele
Band te hebben met elkaar
Tenzij deze spokende melodieën,
En het houden van een dagboek.
Een plotse gedachte – veronderstel dit
Was bestemd mijn laatste nacht te zijn!

Meester, uw dienaar is klaar.
De duisternis is een ongeploegd veld.
Ik zal deze taak alleen vervullen.
Ik schud de mantel van de vrees af
En kus de schaduwen vaarwel.
Namu Amida Butsu – driemaal.

(Vert. M.S.)

Ekō 106

jikōji - 慈光寺

© 2005

info-at-jikoji.com

            home