Jacques Scheuer, s.j., professor aan de Université Catholique de Louvain in Louvain-la-Neuve
Voordracht gehouden in Augustus 2004 te Antwerpen, tijdens de 13th European Shin Conference, onder het thema: ‘Nembutsu: Overcoming Secularism and Fundamentalism’.
“De volgende overwegingen zijn geen boeddhistische overwegingen, zelfs geen Shinboeddhistische. Het zijn overwegingen die een Christelijke luisteraar inspireerden in zijn ontmoeting met enkele aspecten van de boeddhistische boodschap. Zij worden hier gedeeld in dankbaarheid voor de geboden gastvrijheid.
Moeten secularisme [3] en fundamentalisme beschouwd worden als tegendelen, als uiteen liggende polen? Deze twee concepten werden niet tezelfdertijd geboren, noch in relatie tot mekaar. Zij zijn niet precies als een tweelingenpaar, zelfs geen vechtende tweelingen. Elk van de twee heeft een eigen geschiedenis, een eigen context, eigen objectieven. Zoals we allemaal weten is hun ontstaan en ontwikkeling essentieel verbonden met de westerse geschiedenis: de sociale, institutionele, intellectuele, religieuze en filosofische geschiedenis.
Het is ook opmerkelijk dat deze twee termen meestal gebruikt worden door mensen die de waarden of principes waarvoor ze staan niet delen. Ze worden zelden door iemand opgeëist als eigen. Als ‘ismes’ worden ze gebruikt als een etiket voor vreemde producten, meestal op een lichtelijk geringschattende wijze.
Ik ben niet van plan om deze twee termen te beschouwen op het niveau van een institutionele analyse of van politieke filosofie. Ik ben eerder van plan om ze te bespreken als spirituele houdingen en om te mijmeren over de filosofische implicaties die kunnen volgen uit deze houdingen.
Daar zij geen tegenstellingenpaar vormen, kunnen secularisme en fundamentalisme niet gemakkelijk samen genomen worden als basis voor overweging en gesprek. Indien ik dit toch poog te doen, als een reactie op het algemene thema van deze conferentie, dan kan het zijn dat ik hen een lichtelijk ongewone betekenis geef. Ik hoop dat deze oefening niet misleidend of nutteloos zal zijn.
Overheen de uitersten
In de geest van de traditionele boeddhistische manier om inzichten en doctrines in te delen, zal ik secularisme aan de kant van negativisme of nihilisme onderbrengen, en fundamentalisme aan de kant van substantialisme of ‘eternalisme’. Ik poog dit te doen zonder de torenhoge culturele en taalkundige barrières uit het oog te verliezen: secularisme en fundamentalisme zijn westerse concepten die niet gemakkelijk kunnen worden overgedragen naar Aziatische contexten, net zoals de oosterse concepten van ‘uccheda-vāda’ en ‘śāśvatavāda’ [4] niet gemakkelijk overgezet kunnen worden naar westerse categorieën.
Secularisme zie ik in haar extreme vorm als het zien van enkel de vormen of verschijningen in de wereld. Ik kan in de onmogelijkheid zijn om iets anders waar te nemen, of wel kan ik min of meer bewust weigeren iets anders waar te nemen. In mijn ogen zijn er enkel vormen, uitwendige vormen, met afwezigheid van enig gevoel voor perspectief of diepte. Ik hecht mij aan die vormen en geniet ervan. Indien ik hun veranderlijke aard toch zou ontdekken, kan ik kiezen ervan te genieten op een cynische manier, of ik kan tot een vorm van nihilisme of eerder, negativisme gebracht worden: niet zozeer door theoretische verklaringen over het niets, maar eerder door de ervaring van de afwezigheid van betekenis.
In een mildere vorm, als een trend eerder dan een extreme positie, zie ik secularisme in de volgende betekenis: het erkennen en waarderen van de wereldse vormen als vormen; ze te gebruiken en ervan te genieten zoals ze zijn. De vraag is natuurlijk: is het mogelijk ze te gebruiken en ervan te genieten zonder ten prooi te vallen aan de illusie, de gehechtheid en bijgevolg aan het lijden (dukkha)?
Ik situeer fundamentalisme dicht bij de tegenoverliggende pool, als substantialisme. In bijbelse termen: terwijl secularisme een manier is om wereldse vormen tot goden te maken, of zelfs tot God (of misschien tot ‘ultimate concern’), kan fundamentalisme een manier zijn om God, of wat dan ook van ‘ultimate concern’ is, tot een vorm te maken, hem te reduceren tot een vorm, zodanig dat ik hem beter kan bezitten, overmeesteren en controleren. Uiteindelijk komt het neer op het proberen zélf God te zijn, zich voor te doen als God, zoals ik mij voorstel dat hij zou moeten zijn, namelijk almachtig.
In een mildere vorm, als een trend eerder dan een extreme positie, identificeert fundamentalisme geloof met bepaalde vormen, reduceert geloof tot particuliere vormen die kunnen worden verworven, gecontroleerd, gemanipuleerd. Of ten minste, vormen die mij kunnen helpen om mij veilig te voelen; vormen die mijn gevoel van ‘ik’ (ego) kunnen versterken. Uiteindelijk is fundamentalisme een manier om autonomie te bereiken door mijzelf mijn eigen veiligheid te schenken. Het is in deze zin een soort religieuze afgoderij of, om een uitdrukking van Chögyam Trungpa te gebruiken, een vorm van ‘spiritueel materialisme’.
Tevens ontstaat hier de verleiding om een andere wereld te bouwen, om een tweede, ‘religieuze’ wereld te bouwen naast onze gewone wereld. En wij hebben de bedrieglijke neiging deze religieuze wereld te behouden zoals ze is, zonder verandering, doorheen de eeuwen.
Een middenweg
Overheen de extremen van secularisme en fundamentalisme, is de middenweg een weg van geloof, vertrouwen en hoop. Ik begrijp geloof als een openheid op de Ander-Kracht, de kracht van het Andere. Ik meen dat verschillende vormen van geloof overal kunnen worden gevonden, zelf onder mensen (in het Westen) die zichzelf niet als ‘religieus’ beschouwen. Geloof is niet gebaseerd op verdienste of deugd of verwezenlijking of enige andere vorm van zelfkracht. Het is ‘zomaar gegeven’ [5] . Geloof is de (h)erkenning, in en door de wereld van onderlinge afhankelijkheid van een dimensie van zuivere aanwezigheid, van gratis geschenk, van een werkelijkheid die niet het resultaat is van enig productieproces of samenstelling (a-samskrita). Deze ‘gegeven’ aanwezigheid kan Helder Licht, Onmeetbaar Licht, Onmeetbaar Leven, Zuiver Bewustzijn genoemd worden.
Geloof maakt het mogelijk om tot een relatie met de wereld van de vormen te komen zonder bezitterigheid, zonder hebzucht of gehechtheid. In geloof ben ik niet het centrum, de bezitter, de meester. Geloof laat mij toe de werkelijkheid zoals ze is te erkennen, zonder te pogen ze te overheersen of te controleren. Geloof breekt het verlangen naar bezitterigheid af en de neiging tot afgunst, jaloersheid of geweld. Geloof maakt iemand vrij van de polariteit subject/object en van de polariteit waar een subject probeert om andere subjecten te veroveren en te controleren. Geloof neemt de angel uit rivaliteit en geweld. Moeten we niet proberen de aanwezigheid van deze zomaar gegeven, vrije dimensie van geloof in de verschillende tradities van de mensheid te ontdekken?
Geloof is vertrouwen. Het is de ontdekking van een veiligheid die niet door ons eigen toedoen is ontstaan. Het betekent een zich afwenden van de ‘self’-made man, de selfmade persoon, en het zich toewenden naar de Ander- Kracht. Dit afwenden en zich toewenden kan ‘omkering’ (e-shin) genoemd worden. Dit afwenden is niet onze eigen verwezenlijking. Er is geen plaats hier voor een ‘ik’ of ‘zelf’ of substantie. Deze omkering is eerder de werkzaamheid van Amida’s gelofte; in bijbelse of Christelijke termen, het is de werkzaamheid van Gods trouw. Dit opent een nieuwe relatie tot ‘tijd’, een nieuwe manier om in de tijd te leven. Dat is de reden waarom we dit ‘hoop’ kunnen noemen. Hoop is een beweging die verhindert dat men zich op zichzelf richt; hoop is een dynamische kracht die ons open houdt. In een Christelijk perspectief, dat in feite zeer dicht staat bij het Joodse, worden geloof, vertrouwen en hoop in diverse teksten beschreven, o.a. in de Brief aan de Hebreeën, waar een lang hoofdstuk de voorgangers in het geloof prijst (Heb. 13)
Onbevreesdheid
‘Is een klein hondje begiftigd met Boeddhanatuur?’ De oude discussies tussen de Mahayana scholen zitten hier samen in een notendop en in de praktische aanpak van een koan. Een beetje ‘hebben’ (you) en je valt in de valstrik van het fundamentalisme. Een beetje ‘niet hebben’ (wu) en je valt in de valstrik van het secularisme. In beide gevallen, zo verwittigt ons de koan, wordt ‘het leven verloren’, het onmeetbare leven (amitāyus) wordt verloren. Ontwikkel geen gehechtheid aan de vormen, want, in de woorden van de Brief aan de Korintiërs (1 Kor 7, 31) is ‘de vorm van deze wereld voorbijgaand’. Ontwikkel geen gehechtheid aan het ontbreken van vormen, want zij die vasthouden aan leegheid zijn er inderdaad nog erger aan toe. Minacht geen enkele vorm, want, zoals Jezus zei, “worden niet twee mussen verkocht voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van de Vader niet één mus op de grond vallen. Bij U echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld.’ Vreest niet, daarom.” (Matteüs 10, 29 – 30)
Zowel secularisme als fundamentalisme kunnen gezien worden als reacties op angst. Secularisme is een reactie op de angst voor de radicale openheid die ons de vormen zou kunnen ontzeggen, of eerder, die ons het in bezit nemen van de vormen zou kunnen verhinderen, ons de heerschappij over de vormen van de wereld zou kunnen ontnemen.
Fundamentalisme kan gezien worden als een reactie op de angst om achter te blijven zonder welomlijnde vorm, zonder veiligheid, zonder wat dan ook om op te leunen of op te betrouwen, of iets wat ons zekerheid zou kunnen geven. Linji, bijvoorbeeld, in de Chinese Ch’an traditie, leidde zijn studenten naar de afwezigheid van enig houvast, van enige veiligheid. Hij gebruikte daarvoor verschillende soorten kledij, verschillende toepassingen, verschillende middelen, teneinde zijn studenten overheen de verschijningsvormen en de diverse middelen te brengen: dit is de enige weg om de ‘mens zonder rang’ of ‘zonder kwaliteiten’ te ontdekken en te realiseren.
‘Houd mij niet vast.’
Zuiver bewustzijn, Onmeetbaar Licht, Boeddhanatuur en wat Christenen en anderen God noemen, zijn misschien niet allemaal hetzelfde. Maar ze hebben één punt gemeen met elkaar: ze staan niet toe dat ze zich laten opsluiten of gevat kunnen worden in enige vorm. Het pad (of niet-pad) om ze te realiseren kan niet erg verschillend zijn. Het is geen strijd tegen de vormen, maar een manier om te leren doorheen en verder dan de vormen te kijken. Zelfs wanneer we leren om vrij te zijn van vormen, leven wij met hen en in hen. Zelfs het uiteindelijke is aanwezig in ons, en actief in ons, dankzij één of andere omlijnde vorm. Het kan de Qur’an zijn. Het kan de Christus zijn. Het kan de Nembutsu zijn.
Om geschikt te worden om dit pad (of niet-pad) te bewandelen hebben wij een speciale pedagogie nodig, een speciale spirituele opvoeding. Zie bijvoorbeeld wat er in de evangelies gebeurt na Pasen: Jezus moet zijn leerlingen opvoeden in de school van het geloof, in de school van zowel aanwezigheid als afwezigheid, in de school van vorm en niet-vorm. Hij toont zich aan hen, zodat ze zijn aanwezigheid leren herkennen. Maar hij verdwijnt ook uit hun zicht en laat ze alleen, zodat ze elke gehechtheid aan zijn vorm kunnen afleggen en hun eigen leven kunnen leiden. Bijvoorbeeld, Jezus vertelt Maria (Magdalena): “Houd mij niet vast…maar ga naar mijn broeders en zeg hen…” (Johannes 20,17)
Geschikte, genadevolle middelen
Terwijl zowel secularisme als fundamentalisme beide geïnspireerd zijn door angst, is geloof, het zelfloos – zijn, een manier van leven in de onbevreesdheid. Wij ontvangen een geschenk van onbevreesdheid en wij kunnen het uitdelen rondom ons. Zo ontstaat een steeds groter wordend koninkrijk van onbevreesdheid.
Levend in geloof, vertrouwen en onbevreesdheid, is de Bodhisattva in staat om waar ook in de wereld te verblijven. Hij is in staat om in deze beweeglijke, veranderlijke wereld te leven. Hij voelt zich overal thuis, omdat hij geen thuis heeft. Voor hem kan elke vorm, elke wereldse of ‘seculiere’ vorm ‘upaya’ (hōben) zijn: geschikt middel. Vrij zijnde, maakt hij daar vrijelijk gebruik van. Maar, indien we het principe van Ander - Kracht in gedachten houden, zijn geschikte middelen ‘genadevolle middelen’. Genadevol, in de betekenis van ‘zomaar gegeven’: ze zijn een pure gift, de schittering van het Onmeetbaar Licht in en door ons; daarnaast betekent ‘genadevol’ ook prachtig, vol gratie en harmonie. Een bevrijd persoon worden, een Bodhisattva worden betekent gelijk waar kunnen wandelen op een lichte manier, zonder sporen na te laten, zoals een vogel in de lucht. Het betekent leven in een zuiver, zelfloos land.
(Vertaling M. Strubbe)
[2] Het is niet eenvoudig de door de auteur gebezigde termen ‘Faith and Trust..’ in zijn oorspronkelijke tekst correct te vertalen. ‘Geloof’ heeft immers verschillende dimensies: op een oppervlakkig niveau betreft het een aannemen op gezag van geloofspunten, op het meest diepe niveau wordt het een vertrouwen, gebaseerd op inzicht en ervaring. Het is duidelijk dat de auteur ‘faith’ eerder in deze laatste betekenis bezigt, als vertrouwen. ‘Trust’ is dan een aspect van dit ‘vertrouwend geloven’. De auteur zelf stelt in zijn tekst ‘faith’ en ‘trust’ uiteindelijk gelijk (noot van de vertaler).
[3] Ik heb de term ‘secularism’ uit de oorspronkelijke tekst vertaald door ‘secularisme’ hoewel dit woord als dusdanig niet voorkomt in het Van Daele Woordenboek. ‘Secularism’ wordt in de Webster’s omschreven als ‘a trend that religious influence should be restricted, education (etc…) should be independent of religion.’ ‘Secularisatie’ wordt in de Van Daele beschreven als ‘het proces waardoor de voornaamste sectoren van het sociale leven onttrokken worden aan Kerk en Geloof’…
Overigens wijst Prof. Scheuer er op dat hij ‘secularism’ in zijn voordracht niet wil benaderen op het niveau van de instellingen of van de politieke filosofie (noot van de vertaler).
[4] ‘uccheda-vāda’: vernietigingsleer, nihilisme; ‘śāśvatavāda’: ‘eeuwigheidsleer’(noot van de vertaler).
[5] In de oorspronkelijke tekst: ‘gratuitous’ (noot van de vertaler).
|
|
|
|
|
|
Ekō 106 |
|
© 2005 |
|||||
| home |