Editoriaal

Hisao Inagaki besprak in het vorige nummer van Ekō de Zes Aspecten van het Spirituele ontwikkelingsproces in het Shinboeddhisme.  In het huidige nummer gaat hij hier verder op in, door het beginpunt van het spirituele proces te omschrijven als het ‘aanspreken van de reserves’.   De zelfreflectie die hiervoor nodig is brengt ons ‘ruw’ potentieel aan het licht.

Men zegt dat Jōdo-Shinshū de weg is van de ‘niet-praktijk’.  Inagaki toont aan dat dit niet betekent dat er ‘niets’ dient te gebeuren.  Er is een voorbereidende fase nodig van inzicht en onderzoek, die zal leiden tot een omkering van het gemoed, waardoor Amida’s praktijk kan beginnen.  Deze praktijk ligt buiten onze invloedssfeer, en vergt een gemoed van vertrouwen.  Noch ons discursief denken, noch enige morele of meditatieve praktijk op zich, noch onze intentie kunnen ons gemoed zuiveren van de begoochelingen, de begeertes en de aversies.  

Shinran Shōnin is met zijn aanpak van de heilsweg zeer ‘radicaal’, hoewel zijn visie geworteld is in een mahayana opvatting dat men zich niet moet verzetten tegen de poel van karmische bevlekkingen, maar ze in tegendeel tenvolle moet erkennen en aanvaarden.  Onze eerste patriarch Nagarjuna stelde reeds dat ‘samsara uiteindelijk niet verschillend is van nirvana’.  Onze verlichting is uiteindelijk reeds present.  In het aanvaarden van onszelf zoals we zijn zit onze bevrijding.   Meesters in andere scholen van de mahayana stelden zich ook vragen rond de zin en onzin van meditatiepraktijken.  Zo luiden de ‘Zes Voorschriften van Tilopa’, de grote meester van de Mahāmudra traditie, die zich later verspreidde in Tibet, als volgt:

“niet-geest [1] , niet-gedachte, niet - analyse,
niet - praktijk, niet - intentie.
Laat het zichzelf regelen.”

In de Chinese Ch’an, betwijfelde Huai-jang tegenover zijn leerling Ma-tsu het feit of zitten in meditatie wel leidt tot het Boeddhaschap.  Was dit niet net zo onmogelijk als een vloertegel polijsten om een spiegel te verkrijgen?

Ma-tsu heeft die les goed onthouden, en toen hij later zelf een grote leraar werd stelde hij duidelijk dat Verlichting, gerealiseerd door louter discipline, niet duurzaam is.  Maar hij voegde er aan toe dat als men zou zeggen dat er géén discipline is men dan zoals ‘een gewone mens’ zou zijn. 

Praktijk op zich zal ons dus niet tot verlichting brengen, maar ergens, ooit, dient er wél enige actie ondernomen te worden.  Dit is de conditio sine qua non van elke vorm van spiritualiteit.  

Zoals de boer zijn zaaibed moet klaarmaken om te kunnen oogsten, zoals de zeiler zijn zeilen juist moet richten om meegenomen te worden door de wind, zo moet een volgeling van de Leer van de Boeddha zich klaarmaken om door de wind van de Dharma meegevoerd te worden.

De vorm die men aan dit klaarmaken geeft is in de andere mahayana -tradities natuurlijk anders dan in de Jōdo-Shinshū, maar het is deze basisvisie op de begrensdheid van wat wij zelfkracht praktijken noemen, die interessant is.

In het klaarmaken van het zaaibed ontstaat het inzicht in onze menselijke beperktheid, en in het onvermogen daaraan ook maar iets ten gronde te veranderen.   Dit inzicht in de menselijke passies en beperktheden fungeert hier als hefboom, als toegangspoort tot Ander-Kracht.

Het voorbereidende werk wordt in Jōdo-Shinshū niet als een formele praktijk voorgeschreven.  Het initiatief en de verantwoordelijkheid hiervoor liggen bij het individu.  De ene mens zal meer behoefte hebben aan voorbereiding, terwijl er anderzijds ook mensen zijn die ‘van nature’ geneigd zijn zich in vertrouwen over te geven aan een andere kracht. 

Het is eerder een zegen dat er geen formele voorbereidende praktijk bestaat in onze traditie:  men identificeert er zich vlug mee, en ontleent er een identiteit aan als ‘boeddhist’ –  terwijl die praktijk   eigenlijk zo vlug mogelijk moet losgelaten worden, om de ‘Grote Praktijk’ te laten beginnen.

Shinran Shonin noemde zichzelf een ‘dwaze kaalkop’.  Geboren als een onwetende, blééf hij een onwetende, maar omdat hij zich tenvolle bewust was van deze onwetendheid was hij tevens géén onwetende meer. 

In Shinjin bewandelde Shinran de Middenweg, gevestigd in het Boeddhagemoed.  De werkzaamheid van Wijsheid en Mededogen toonde zich aan hem als verzoening en mildheid tegenover zichzelf en tegenover zijn medemens.  Deze ‘dwaas’ had zijn zelfgenoegzaamheid achtergelaten waardoor zijn vrijgekomen energie beschikbaar werd voor de oneindige mogelijkheden van de wereld, ten voordele van alle wezens.

Martine Strubbe


[1] ‘Mi-mno’ (Tib.) te vgl. met ‘wu-hsin’ (Ch.) – ‘niet-geest’ of ‘niet-gemoed’.

Ekō 108

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

            home