Een Woord Vooraf

De seizoenen lijken elkaar steeds sneller op te volgen – of dit nu aan onze ervaring van het ouder worden ligt, of aan het uiterst grillig weerpatroon van de afgelopen zomer – dat laten wij in het midden…

Feit is dat de herfst voor de deur staat – dat mooie seizoen waarin de aftakeling en het verval in de natuur duidelijker zichtbaar worden.

In tegenstelling tot dat wij hier in het westen gewoon zijn, worden de overledenen in de Jōdo-Shinshū nochtans niet herdacht in dit seizoen van verval, maar op het hoogtepunt van de zomer, tijdens de O-Bon viering, midden in augustus…Een tijd geleden ontvingen wij deze overweging van één van onze sangha - vrienden: “Nooit heb ik gevraagd om geboren te worden, en toch ben ik geboren en opgevangen. Nooit heb ik gevraagd te sterven, toch zal ik overlijden.  Dus twijfel ik er niet aan dat ik weer opgevangen zal worden, hoe dan ook.”   

Dat is het soort vertrouwen waar Jōdo-Shinshū over gaat: het rustige en dankbare gevoel dat het goed is om te leven, en dat het goed is om te sterven.  Dat er geen gevecht moet worden geleverd met het leven, maar dat wij altijd opgevangen zullen worden, wat er ook gebeurt.   Nico Tydeman beschrijft in één van zijn tempelredes een vlinder die vastzit in een klok en zich aanvankelijk hevig inspant om te ontsnappen, en hierbij hopeloos tegen de wanden opbotst.  Pas op het moment waarop de vlinder die nutteloze pogingen staakt, en zich laat vallen, vindt hij in deze overgave zijn bevrijding….

Zo ‘eenvoudig’ kan het zijn, ook voor een vertrouwensboeddhist.  Maar velen onder ons hebben ervaren dat deze overgave pas kan komen na een (soms lange) periode van  pogingen en vertwijfeling.

In dit nummer lezen wij getuigenissen van een priester, een ‘leek’ en  twee dichters over de weg die moet bewandeld worden. 

De priester, die in Roemenië leeft en werkt, vertelt ons op een verfrissende manier over vier misvattingen betreffende de praktijk.  Denken dat men een toevlucht kan zijn voor zichzelf is vastzitten in een gesloten cirkel waaruit ontsnapping slechts mogelijk is op het moment van overgave aan de Ander-Kracht, het moment waarop de spontane Nembutsu volkomen vertrouwen en dankbaarheid verklankt.

 De ‘leek’ getuigt over zijn ervaringen na het nemen van de drievoudige toevlucht en bij de verkenning van de mogelijkheden van de Nembutsu.

En de dichter, hij wandelt onder de blauwe hemel, of wordt aangeraakt door de wind die door de pijnbomen waait… Dichters zijn begenadigd, omdat zij de enorme woordenmassa kunnen herleiden tot een esthetische evocatie van de essentie van ons leven: wandelen, werken, liefhebben, eten, slapen – gewoon het alledaagse dat als altijd nieuw ervaren wordt in het licht van de Nembutsu.

Martine Strubbe

Ekō 110

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

            home