Adrian Cirlea
De vier misverstanden betreffende de Nembutsu, die in ‘Essentials of Faith Alone’ worden besproken, en door meester Seikaku worden becommentarieerd, hebben betrekking op een verkeerd begrip van de veranderlijkheid, van onheilzaam karma, van heilzaam karma, en van de kwestie van het éénmaal of meerdere malen reciteren van de Naam van Amida Boeddha.
Wanneer we een bepaald ding willen begrijpen, dan kijken we naar de kenmerken, de elementen waaruit het bestaat. Welke zijn de elementen en fundamentele kenmerken van het bestaan?… Wat is een ‘lichaam/geest’, onderworpen aan de onophoudelijke cyclus van geboorte, groei, volwassen worden, aftakeling en dood?…
Aftakeling en dood…Speciaal deze twee vragen onze aandacht! (…)
Veranderlijkheid is het fundamentele kenmerk van het bestaan. Wat staat ons te doen tegenover deze veranderlijkheid? Wanneer het juiste inzicht ontbreekt, staat ons lijden te wachten…Alle beoefenaars van de Boeddha Dharma zullen het bestaan op dezelfde manier moeten onderzoeken zoals Siddharta deed. Na zijn ontmoeting met een oude man, een zieke en een lijk op een draagbaar, kon zijn leven nooit meer hetzelfde zijn.
Het leven van iemand die zich bewust is van de veranderlijkheid is niet verdeeld in een huidig moment en een stervensmoment, maar het wordt eerder een leven waarin het moment van de dood in het hier en nu wordt beleefd, in deze seconde. Mijn bekering greep plaats op het moment waarop de afstand tussen mijzelf en mijn dood gereduceerd was tot nul. Tot dan, had ik altijd het gevoel gehad dat ik veel tijd had om te mediteren, wijs te worden, te lezen en zo voort. Maar in dit moment voelde ik dat ik géén tijd had. Shinjin wordt altijd ontvangen op een ‘stervensbed’. Zo was het ten minste in mijn geval. Daarom duurt de Nembutsu sinds dat moment voort, omdat die eerste Nembutsu de Nembutsu van een stervende was.
Maar waarom had mijn bekering te maken met het toewenden van zelfkracht naar Ander-Kracht, en niet naar een ‘betere’ vorm van zelfkrachtpraktijk? Omdat ik voelde dat ik niet kon betrouwen op mezelf. Omdat men zichzelf niet kan prijzen omwille van persoonlijke vaardigheden, wanneer men geconfronteerd is geweest met de broosheid van het eigen lichaam, of met het stoffelijk overschot van een vriend of een nauwe verwante. Op het moment van mijn bekering voelde ik dat ik geen toevlucht kon zijn voor mezelf en dat Amida de enige toevlucht was. Sindsdien ervaar ik deze waarheid elke dag. Niet alleen in het zicht van de dood, maar heel mijn persoonlijk leven is een constante herinnering aan de noodzakelijkheid vrij te worden van mezelf, in de omarming van Amida.
Meester Rennyō zei: “De Leer van de Boeddha is de leer van het non-ego”. In het boeddhisme wordt de leer van non-ego dikwijls geïllustreerd door het beeld van de bodhisattva’s die nooit aan zichzelf denken, maar altijd bezig zijn alle wezens te bevrijden. Dit is waar, maar het is slechts één aspect. Hoe kunnen wij, onwetenden, de leer van non-ego begrijpen? Op welke manier wordt dit benadrukt in Jōdo Shinshū? De leer van non-ego volgen betekent ook dat men voor eens en altijd elke gedachte aan verdienste of niet-verdienste achterlaat, en geen persoonlijke berekeningen inbouwt aangaande geboorte in het Reine Land. Rennyō Shonin zei: “Wanneer één enkele gedachte van vertrouwen in ons gewekt is, is onze geboorte in het Reine Land gevestigd. Het wordt aan Amida Tathāgatha overgelaten of ons karmisch kwaad vernietigd wordt of niet. Het is onnodig om zaken zoals ‘ons karmisch kwaad’ te bespreken. Wat ons aanbelangt, is dat Amida ons redt wanneer wij ons toevertrouwen aan hem.”
Ik zie de twee verkeerde opvattingen betreffende het heilzame of onheilzame karma in het licht van het voorgaande. Spreken of denken over ons karma betekent verblind worden door onszelf en de Boeddha niet zien. Het betekent dat men de Dharma niet hoort, maar alleen het geluid van ons ego. Zelfkracht plaatst nog meer hindernissen tussen het individu en de Verlichting (…) Ik vraag mij af hoe het ego zichzelf kan elimineren door er gebruik van te maken - hoe kunnen wij een spiegel maken door een dakpan te polijsten? Dit is een fundamentele vraag voor de Jōdo Shinshū.
Tenslotte is de vraag hoe dikwijls wij de Nembutsu moeten reciteren ook overbodig voor iemand die steunt op Amida. We moeten de dingen niet nodeloos gecompliceerd maken, maar het essentiële proberen te begrijpen… De Naam is niet verschillend van Shinjin. Saichii zei: “Wanneer iemand een verkoudheid krijgt, kan hij niet verhinderen te hoesten. Ik kreeg een verkoudheid van de Leer van de Boeddha, en ik kan niet ophouden de Nembutsu te hoesten”. Nembutsu verschijnt niet vooraleer het vertrouwen oprijst, net zoals het hoesten niet de verkoudheid veroorzaakt, maar er een manifestatie van is. Ik hou van deze eenvoudige verklaring van de relatie tussen Shinjin en Nembutsu. Het is eenvoudig om hier uit op te maken dat het aantal Nembutsu - recitaties niet belangrijk is. Maar natuurlijk zullen we dikwijls hoesten wanneer wij een verkoudheid krijgen. Het zou waarlijk dom zijn te denken dat een verkoudheid zich kan manifesteren door slechts één hoest, zelfs al beseften wij dat wij verkouden waren toen wij voor de eerste keer hoestten. Op dezelfde manier reciteren wij de Nembutsu spontaan, als een uitdrukking van vertrouwen, wanneer wij ons voor het eerst overgeven aan Amida: Namo Amida Butsu! – Ik vertrouw mij toe aan Amida! – dat is iets heel natuurlijks! Maar omdat wij besmet geraken met Shinjin, voelen we natuurlijkerwijs de behoefte ook in de toekomst de Nembutsu te reciteren. Zich afvragen ‘hoeveel keer iemand die verkouden is moet hoesten’ of ‘hoeveel keer moet iemand die verliefd is zeggen ik hou van jou’, is niets anders dan filosoferen over verkoudheden of de liefde. Het betekent dat men er van buitenaf naar kijkt. Van op afstand naar de Voortijdelijke Gelofte kijken, en zich afvragen hoeveel maal de Nembutsu moet gereciteerd worden, betekent dat je je nog altijd niet vasthoudt aan Amida’s mouwen, zoals Rennyō zei.
Wij moeten waarlijk onszelf toelaten omvat te worden door de Nembutsu, door te vertrouwen op Amida, en over niets anders bezorgd te zijn. En dat moeten wij vandaag doen, dus hier en nu, op het doodsbed van vandaag, wanneer elke overbodige vraag ophoudt en de Nembutsu spontaan oprijst. Namu Amida Butsu.
(Adrian Cirlea is priester van de Jōdo-Shinshū in Bucharest, Roemenië. Vrije vertaling door M. Strubbe)
|
|
|
|
|
|
Ekō 110 |
|
© 2006 |
|||||
| home |