‘Herboren’ Boeddhisten

Clark Strand

Onlangs, op een ochtend werd ik herboren. Hoewel nogal onverwacht, was dit toch nooit buiten het bereik van de mogelijkheden geweest. Volgens de leer van het Reine Landboeddhisme kunnen allen die de Naam van Amida Boeddha uitspreken - Namu Amida Butsu - herboren worden in het ‘Land van Volkomen Gelukzaligheid’, op voorwaarde dat zij werkelijk geloven dat Amida hen zal bevrijden. En dat laatste was natuurlijk het probleem. Hoezeer ik ook geprobeerd had mijn pogingen om in te treden in het Reine Land te verfijnen, zolang ik niet vertrouwde waren die allemaal tevergeefs.

En dan, op een zaterdag in maart, terwijl ik in mijn schommelstoel uit het raam naar mijn achtertuin zat te staren, werd in mij een grote en onomkeerbare verandering uitgelokt. Ik aanvaardde, eenvoudig en zonder voorbehoud, de leer die ik had ontvangen van de Reine Land stichters Hōnen en Shinran – en ik geloofde.

Rennyo Shonin, de achtste hoofdpatriarch in de Jōdo-Shinshū afstamming van het Reine Land Boeddhisme stelde dat we de nembutsu (Namu Amida Butsu) niet moesten reciteren om bevrijd te worden, maar eerder omdat we gered wáren – met andere woorden, niet uit angst, maar als uitdrukking van dankbaarheid en vreugde. Ik had dit voordien reeds ontelbare keren gedaan, in de verkeerde opvatting dat als ik mij maar dankbaar genoeg kon maken, ik misschien de ervaring van Shinjin (‘volkomen vertrouwen’) zou mogen meemaken, zoals Shinran en Rennyō bedoeld hadden. Maar ik benaderde dit proces achterste voor. Shinjin was de oorzaak van de dankbaarheid, en niet andersom. Maar dit is nu allemaal veranderd.

Ik geloof in het Reine Land, gevestigd ontelbare aeonen geleden door Amida Boeddha, opdat de verdwaasde wezens zoals ikzelf er zouden kunnen herboren worden wanneer ze sterven. Verder geloof ik dat ik nu geboren ben – dat ik zodra ik overheen mijn eigen begripsvermogen stap en mij toevertrouw aan de kracht die groter is dan mezelf, ik ‘omvat word, om nooit meer losgelaten te worden’ door Amida’s Onmeetbaar Licht en Leven. En dat doet wel degelijk van diep in mij, eindelijk, vreugde opwellen. Er is zelfs geen manier waarop ik deze vreugde zou kunnen onderdrukken.

En toch zint het mij niet om veel over ‘Onmeetbaar Licht en Leven’ te praten wanneer ik het over Amida Boeddha heb, al is dat de letterlijke betekenis van Amitābha en Amitāyus, de namen gegeven in de Reine Landsutra’s door Śakyamuni. Iets in deze uitdrukkingen is mij te abstract om het diepgeworteld gevoel te beschrijven dat ik nu elk moment in mij draag zonder dat ik een inspanning moet leveren om dit te onderhouden. Het is zoals een zak tarwe die een goede schudding heeft gekregen zodanig dat de korrels naar de bodem zakken. Ik ben door elkaar geschud en ben nu gevestigd. Ik ben niet langer rusteloos bezig met proberen een houding te vinden. Ik ben gewogen en erkend als verlangende. Maar het heeft geen belang. Amida zal mij dragen waarheen ik ook moet gaan.

In dezelfde geest verwerp ik ook die moderne vervorming in het boeddhistisch denken die dominant is in het westen, die zegt dat het Land van Uiteindelijke Gelukzaligheid een fictie is, een symbolische manier van spreken over een geest die gezuiverd is van kleśa’s, bevlekkingen. Hier neem ik afstand van de meeste van mijn Reine Landmeesters (of toch tenminste de hedendaagse), en ook van meesters zoals Thich Nhat Hanh, die ooit schreef dat het Reine Land uit de sutra’s ‘enkel voor beginners is.’ Maar hier kan niets aan veranderd worden. Ik kan niet anders dan vertrouwen, en op dit moment zou ik het zelfs niet eens proberen. Ik heb mijn lot verbonden met het vertrouwen van de eenvoudigen. Er is geen weg terug voor mij.

De eminente Japanse boeddhistische geleerde Sachiya Hiro heeft ooit toegegeven dat hij verlangde een persoon te worden die kon geloven en vertrouwen en het bestaan van het Reine Land kon aanvaarden, ‘zonder indien, en, of maar’. Hij ontdekte echter dat dit voor een moderne religieuze geleerde niet zo eenvoudig was. Hij beklaagde er zich over dat hij zich liet afleiden door wat hij noemde ‘het gezonde verstand van de wereld en van de wetenschappen.’ Daardoor had hij het gevoel dat hij een of ander bewijs moest leveren vooraleer hij kon verklaren dat ‘het Reine Land bestaat!’ Indien dit bewijs niet kon geleverd worden had hij recht noch reden om te vertrouwen. Maar er gebeurde iets prachtigs toen hij besefte dat hij aan niemand iets te bewijzen had – behalve aan zichzelf. Zij die de wetenschap als religie hebben zijn verantwoordelijk om te geloven in de wetenschap, net zoals hij verantwoordelijk was voor zijn geloof in het Reine Land. Er is geen enkele reden waarom de twee in conflict zouden moeten zijn met elkaar. Toen hij dit besefte, vond hij dat er net zo goed geen reden was om niet te geloven. ‘Mijn Reine Land is mijn persoonlijke Reine Land,’ schreef hij. ‘En dat is de reden waarom het niet nodig is terughoudend te zijn over dit onderwerp. Ik kan eindelijk de nembutsu reciteren zonder mij zorgen te maken wat de anderen erover zullen denken. Namu Amida Butsu. Namu Amida Butsu…Dat is de nembutsu die van mij alleen is.’

Dit soort subjectief bewust worden is de hoeksteen van de ervaring die ik ‘herboren worden’ heb genoemd. Ik geef toe dat ik mij een Christelijke term heb toegeëigend om mij uit te drukken, een term die meestal door Westerse boeddhisten niet zeer gunstig wordt onthaald. Maar ik heb in mijn eigen ervaring van ‘geboorte’ ontdekt wat de basis van de leer van Christus moet geweest zijn in het Evangelie volgens Johannes. En dus heb ik geen reden om Christenen uit te sluiten van mijn Reine Land. Allen zijn welkom hier.

Of het nu in een Christelijke of in een Reine Land context is, wedergeboren worden is gebaseerd op het inzicht dat geloof en vertrouwen essentieel een weddenschap is, zij het een weddenschap waar wij alles inzetten wat wij bezitten. Het is een beslissende en volledige toewijding. Jezus begreep dit impliciet en sprak er telkens opnieuw over in zijn eigen Reine Landleringen:

Het koninkrijk van de hemel is zoals een schat verborgen in een veld. Toen iemand de schat vond, verstopte hij die opnieuw, en in zijn grote vreugde verkocht hij alles wat hij had en kocht het veld. Nogmaals, het koninkrijk der hemelen is zoals een koopman die op zoek was naar fijne parels. Wanneer hij er een van grote waarde vond, ging hij heen, verkocht alles wat hij had, en kocht de parel.

De betekenis is eenvoudig: de prijs voor vertrouwen is alles. Zoveel kost het. En toch lijkt deze kost te hoog voor velen onder ons. Dat is omdat wij denken dat wij dan de aanspraken van de wetenschap moeten verwerpen, of dat we dan onverdraagzaam moeten worden voor andere religieuze overtuigingen. Maar dit komt omdat geloof en vertrouwen een slechte naam hebben gekregen door toedoen van de ‘halve-gelovigen’, namelijk diegenen die nog niet alles hebben betaald voor hun vertrouwen.

Waarlijk, de halve-gelovige kan gevaarlijk zijn. Halve-gelovigen zijn gemakkelijk te herkennen omdat zij volop bezig zijn zich in te spannen om te proberen te vertrouwen, en niet met het vertrouwen zélf. Zij zoeken in de externe wereld een bevestiging om het interne proces dat maar half afgewerkt is aan te vullen. Daardoor zijn zij dikwijls nogal luidruchtig en onverdraagzaam voor andere standpunten. Indien de wetenschap of de seculiere cultuur hun geloofspunten lijkt te ontkennen, moeten ze bevochten of genegeerd worden. En om het eigen vertrouwen te versterken is het natuurlijk nodig dat de anderen – liefst nog de ganse maatschappij - vertrouwen zoals zij dat doen.

Zij die werkelijk vertrouwen daarentegen, zijn in vrede met zichzelf. Zij hebben wat Hōnen anjin noemde gerealiseerd, ‘gevestigd gemoed.’ De Chinese Reine Land meester Shan-tao beschreef dit gemoed als ‘vastbesloten’ – niet zoals het in hedendaagse religieuze milieu’s wordt geïnterpreteerd als ‘koppig, onverzettelijk, onbereikbaar voor kritiek’, maar in de oorspronkelijke betekenis van het ‘diamantharde gemoed.’ Deze mensen hebben geen wettekst nodig om hun vertrouwen te beamen. En ze hebben geen oorkonde nodig om het aan anderen mee te delen. De religieuze ommekeer die reeds in hen is gevestigd heeft een eigen manier om zich mede te delen aan anderen, zonder dat zij zelf een woord moeten spreken.

Rennyō stelde dat mensen zonder ook maar iets van de Leer af te weten, Shinjin, het gemoed van volkomen vertrouwen zullen realiseren wanneer zij de vreugde ervaren van de gewone leken-volgelingen die gered zijn door Amida. Met andere woorden, zij zullen ook bevrijd worden. De hedendaagse Reine Land geleerde Jitsuen Kakehashi legt dit op zijn manier uit:

De bevestiging van hun bevrijding door de Tathagata wordt doorgegeven door mensen die zichzelf volledig toevertrouwen aan de Boeddha en in wie de vreugde van de bevrijding overstroomt. De kracht van de dharma die zulke personen heeft bevrijd reikt uit om anderen rondom hen ook wakker te maken.

Samen met de uitdrukking ‘wedergeboren’, zou ik het woord bevrijden [4] in ere willen herstellen – nu dit woord met bepaalde rechtse christelijke bewegingen wordt geassocieerd. Spreken wij in het Mahayana soms niet van het ‘bevrijden van alle wezens?’ Kunnen wij dergelijke uitdrukking ernstig nemen, als we niet eerst zelf bevrijd zijn? Maar hoe is deze bevrijding dan uit te voeren?

Op deze vraag geeft de Reine Landtraditie een ander antwoord dan de meeste andere boeddhistische scholen, want er wordt van uitgegaan dat wij fundamenteel krachteloos zijn om onze eigen bevrijding te bewerkstellingen. Waarom? Omdat ons hele wezen gebaseerd is op onwetendheid. En dus zijn alle inspanningen, ook de spirituele inspanningen om onszelf te bevrijden, fundamenteel bedrieglijk. Gesteld in de grootste eenvoud stelt zich hier de vraag hoe het mogelijk is dat een wezen dat bestemd is voor vernietiging zichzelf zou kunnen bevrijden.

Het antwoord dat geboden wordt door de Reine Land traditie, die meer dan de helft van de boeddhisten in de wereld telt, is dat wij bevrijd worden door Amida Boeddha, die alle wezens welkom heet in zijn Land, ongeacht of ze goed of slecht zijn, ijverig of lui, wijs of dwaas. Amida omvat ze allemaal zonder onderscheid, als ze maar zijn naam reciteren. En in feite moeten we in de Jōdo Shinshū traditie van Shinran en Rennyō zelfs dat niet doen. ‘Indien ik geloofde dat er enige voorwaarde was om omvat te worden door Amida, dan zou ik mijn ambt verlaten” schreef de Shin priester Hozen Seki.

In zijn boek The Great Natural Way legt hij uit:

Ik geloof dat alle wezens, wanneer zij sterven, omvat worden door Amida Boeddha – katten, honden, mensen, wat of hoe zij ook zijn. Het doet er niet toe dat zij nooit gehoord hebben over Amida’s leer, of nooit de nembutsu hebben gereciteerd. Ik herinner mij dat Daisetz Suzuki ooit eens werd gevraagd waar iemand die nooit over de Leer van Amida had gehoord, naar toe zou gaan na zijn dood. Suzuki antwoordde: “Vraag het aan Amida.”

Suzuki dacht waarschijnlijk aan een verhaal dat hij mee hielp verspreiden onder het grote publiek over de myokonin Shoma. In het Shinboeddhisme is een myokonin (letterlijk, een ‘wonderlijke, zeldzame persoon’) iemand die tot een diep spiritueel inzicht komt, meestal zonder de inbreng van enige formele training of opvoeding, maar enkel door te vertrouwen.

Shoma was hier een perfect voorbeeld van. Suzuki schrijft: “Het is schitterend dat zulk een onwetende persoon het diepst mogelijke inzicht kan vatten, daar waar geleerde, geschoolde en scherpzinnige filosofen falen, omdat het te diep is voor hun begrip.”

Suzuki vertelt ook dat Shoma zich eens had opgegeven voor dagarbeid, toen er een man langskwam die vele honderden kilometers te voet had afgelegd, alleen maar om Shoma te vragen wat hij moest doen om bevrijd te worden. Shoma, die net bezig was rijst te dorsen met een grote houten hamer, ging gewoon door met zijn werk, zonder enige indruk te geven dat hij de vraag had gehoord. De man stelde zijn vraag opnieuw, maar Shoma keek nog altijd niet naar hem om. Toen de mensen die Shoma hadden ingehuurd dit zagen, hadden ze medelijden met de man, en ze smeekten Shoma de man raad te geven, maar Shoma ging gewoon door met het dorsen van de rijst. Tenslotte zei de bezoeker “ik ben van zo ver gekomen, maar als ik niet kan leren hoe ik kan geboren worden in het Reine Land, dan heb ik geen andere keuze dan terug te keren naar mijn eigen dorp.”

Toen hij zag hoe ongelukkig de man was, antwoordde Shoma eindelijk. “Waarom vraag je dit niet aan Amida? Hij is degene die met dit soort vragen omgaat. Het zijn eigenlijk mijn zaken niet.”

Zo eenvoudig als dit verhaal ook is, geloof ik toch dat het een belangrijke les leert over vertrouwen en bevrijding. “Waarom vraag je dit niet aan Amida?”. Dit zijn geen woorden van iemand die over Amida denkt in abstracte of intellectuele termen. Het zijn de woorden van iemand wiens ervaring van bevrijding niet bemiddeld werd door welke intellectuele ingreep dan ook. Anderzijds, iemand die honderden mijlen te voet reist, zoals Shoma’s bezoeker deed, kan niet anders dan over Amida gedacht hebben als over een idee. Anders zou hij niet gekomen zijn. Dergelijke persoon gelooft dat er speciale kennis moet zijn waardoor hij kan gered worden. “Als de befaamde heilige man Shoma of D.T. Suzuki het mij zullen uitleggen” denkt hij, “dan zal ik gered zijn.” Maar zowel Shoma als Suzuki zeggen “Vraag het aan Amida. Hij is diegene die dergelijke vragen beantwoordt.”

Ik ben geen volgeling van het Reine Land, noch een beoefenaar van het Reine Landboeddhisme, of van deze leer. Ik ben een gelovige, wat een beetje anders is. Ik moet niet een traditie zoals ‘Reine Landboeddhisme’ volgen en doen wat zij zeggen, noch is er enige verplichting voor mij om de nembutsu te reciteren van ’s morgens tot s’ avonds, noch om kaarsen en wierook te branden voor een altaar. De woorden Namu Amida Butsu komen ongewild over mijn lippen op willekeurige momenten van de dag, voor ik er concreet aan heb gedacht. Dit gebeurt omdat ik werkelijk vertrouw op Amida, en niet omdat ik een lange gewoonte heb ontwikkeld, of omdat ik verlang Reine Landpraktijk te doen. Dat vertrouwen is mijn kaars, mijn altaar, mijn wierook en mijn belijdenis. Het zegt mij: “Geen behoefte aan een tussenpersoon! Ga recht naar Amida! Hij is diegene die wezens zoals jij bevrijdt.”

En welk soort wezen is dat?

In één woord, een onwetende. Ik kwam in deze wereld zonder iets te kennen, en ik zal zeker vertrekken op dezelfde wijze. Amida’s leven is oneindig, het mijne niet. Op de grote golf van de kosmische tijd plaatst mijn leven een haakje ‘open’ en een haakje ‘toe’, zoals een voetnota of een kleine uitweiding over een wat langer argument waar ik niets van af weet. Tussen deze haakjes gebeuren vele dingen, maar de waarheid is dat ik geen enkele van die gebeurtenissen begrijp. Ik weet niet waarom die dingen gebeuren, in die zin dat ik hun uiteindelijke oorzaak niet ken, noch weet ik wat het uiteindelijke resultaat zal zijn – ook niet of zulk concept zelfs toepasbaar is. Als wat goed leek in de morgen, ’s avonds kan veranderd zijn in een kolossale fout (of vice versa), hoe meer nog geldt dit voor een menselijk leven, of een kalpa. Veel te lang heb ik het boeddhisme gebruikt om mezelf te overtuigen dat ik iets begreep dat ik niet begreep, maar nu ken ik de waarheid. Ik weet helemaal niets. Maar dat is net het soort wezen dat bevrijd wordt door Amida Boeddha – deze die geen andere keuze heeft dan zich over te geven aan een kracht groter dan hemzelf.

Wanneer men hierover nadenkt heeft dit betrekking op nagenoeg iedereen, alle voelende wezens. En zo geloof ik, samen met Hozen Seki, dat iedereen bevrijd wordt – honden, katten, mensen, zonnestralen, stofdeeltjes, geen enkel deeltje is uitgesloten. En toch is dit eigenaardig genoeg de voornaamste tegenwerping aan het adres van het Reine Landboeddhisme die ik reeds jaren hoor – dat het té gemakkelijk is, dat het niveau van boeddhistische praktijk zo laag wordt gelegd, dat het virtueel betekenisloos is geworden. Maar deze tegenwerpingen kunnen slechts een ernstige bekommernis worden, als we het boeddhisme beschouwen als een soort exclusieve gilde, waarin enkel de spiritueel begaafden toegelaten worden. Het toelatingsniveau tot de weg van de Boeddha verlagen kan alleen een discussiepunt worden indien men gelooft dat de Boeddha wil dat wij aan hoogspringen doen. Ik alleszins denk niet dat dit het punt is van het boeddhisme. Alle wezens bevrijden is het punt in de boeddhistische praktijk. Daarom wil ik het zo eenvoudig mogelijk.

Ik wil dat iemand ’s morgens hoort dat hij alleen maar moet vertrouwen op Amida en tegen de avond ingetreden is op de weg van de Boeddha. En ik wil dat deze persoon zich bekrachtigd voelt om anderen te bevrijden op dezelfde manier, niet met de door angst gedreven verwachtingen van de halve-gelovige, maar wel door de vreugde te delen van de waarlijk gevestigden. Ik wil dat het boeddhisme ontsteekt, spettert en van hart tot hart gaat zoals vuur. Ik wil dat het zo helder brandt in Amerika dat niemand er tred mee kan houden, en dat niemand het kan doven. Ik wil dat het een revolutie wordt die de woorden geloof, vertrouwen en bevrijding teruggeeft aan hun oorspronkelijke betekenis. Natuurlijk, een karmisch wezen zijnde, weet ik niet of iets van dit alles zal gebeuren.

Maar ik geloof het wel.

(Dit is een artikel dat oorspronkelijk verscheen in Tricycle, the Buddhist Review, Fall 2006 – van de hand van Clark Strand. Het werd overgenomen met vriendelijke toestemming van de auteur, en vrij vertaald door Martine Strubbe.)

[4] In de Engelse tekst staat ‘saved’ – met christelijke connotatie wellicht, zoals in het Nederlands het geval is met het woord ‘verlossen’.

Ekō 111

jikōji - 慈光寺

© 2006

info-at-jikoji.com

            home