Een Woord Vooraf

Een belangrijk deel van dit nummer wordt gevuld met brieven die door of over Shinran Shonin werden geschreven.

Eshinni schrijft over haar echtgenoot, en Shinran zelf schrijft aan één van zijn leerlingen. In beide gevallen getuigen de brieven van de mens Shinran: een echtgenoot, vader, religieuze figuur, monnik noch leek.

Dat Shinran leed onder de verstoting van zijn eigen zoon Zenran, mogen we zonder meer aannemen. Dat hij tot die beslissing in staat was zegt iets over zijn grote verlangen om een eenvoudige en toegankelijke praktijk krachtig en levend te houden voor een grote groep mensen, die anders totaal verstoken was van enig perspectief op Verlichting. Telkens opnieuw bestreed hij met volle kracht allerlei pogingen om toch weer iets moeilijks, elitairs of geheimzinnigs te maken van de Ander-Kracht Nembutsu.

Dat hij zijn eigen religieuze leven ter harte nam vertelt zijn vrouw Eshinni. Ook tijdens een ziekte, geveld door hoge koorts en hoofdpijn is het verlangen naar Amida sterk aanwezig. Ja, zelfs té dwingend aanwezig, stelt hij zelf vast. Ook Shinran had zo te zien moeite met het loslaten van alle zelfkracht praktijk.

Het is precies die menselijke kant van Shinran die aanspreekt. Wij hebben gemakkelijk het beeld van de onthechte, minzame en altijd vriendelijke en rustige Boeddha voor ogen, ‘aangeraakt maar niet besmeurd’ door de wereld. Hoe zeer we dit ook voor onszelf willen en het ook proberen, velen blijven botsen op die muur van onvermogen…In plaats van door onze frustraties heen te springen, recht in de mededogende armen van Amida, de Ander-Kracht, blijven we hardnekkig onze eigen werkelijkheid ontkennen en het onmogelijke eisen van onszelf. We hebben moeite om onze tekortkomingen te aanvaarden, we minachten liever onszelf.

Boeddhisten willen de prestatiemaatschappij achter zich laten, en paradoxaal genoeg slaat diezelfde prestatiedwang opnieuw toe op het spirituele pad. Ook hier hebben wij het moeilijk om op te houden ‘iets’ te willen bewijzen.

Loslaten is zeggen: “dat ben ik, hier zijn mijn grenzen en die erken ik”. In de erkenning dat ware werkzaamheid begint waar onze eigen werkzaamheid ophoudt zit onze bevrijding.

Het mens-zijn is een dynamisch gegeven, een opeenvolging van vreugde, verdriet, pijn, verlangen, hoop. Niet steeds hoogtepunten van vreugde willen beleven, niet vluchten voor de momenten van angst en frustratie, ziek en oud worden en sterven in de ogen durven kijken, is de wet van de veranderlijkheid aanvaarden. In de onvoorwaardelijke en spontane overgave hieraan tekent zich de ideale mens van Nembutsu zich af.

Het mededogen van de Boeddha is er voor elk van ons, ongeacht onze sociale, intellectuele of spirituele realiteit, ongeacht onze karmische omstandigheden.

‘Kom zoals je bent’ is niet een leuke manier om mensen op een informeel feestje uit te nodigen, maar een sterk appèl om jezelf ongekunsteld en onberedeneerd over te geven aan de ‘Grote Natuurlijke Weg’.

Martine Strubbe

Ekō 112

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home