Een woord vooraf

In de herfstmaand september wordt de belangrijke overgangsperiode van zomer naar winter gevierd. In Japan noemt men deze periode Ō-higan, de overgang naar de ‘andere oever’, en dat is dan een metafoor voor de oever van niet-lijden. Wij hebben in dit nummer (op p. 8) een tempelrede vertaald van een Amerikaans shinpriester. Hij stelt dat we in deze overgangsperiode van zomer naar winter (of van winter naar zomer) niet meer kunnen klagen over té warm of té koud en dus tijd kunnen vrijmaken om ons te bezinnen over waar het werkelijk om gaat in dit leven.

Klagen over té warm, té koud, té nat: het hoort bij ons bestaan wellicht… En toch, hoewel ze klagen over het weer, de politiek, het verkeer, de artsen, politie, buren, kinderen, schoonouders of collega’s, blijken Vlamingen volgens een recente enquête gelukkig en tevreden te zijn. De economie groeit blijkbaar, maar men is bang dat het niet zal blijven duren. Geluk wordt hier duidelijk afgemeten aan materiële veiligheid en aan de mate van welvaart. Welvaart is belangrijk, iedereen heeft recht op een gezonde woning, gezonde voeding, voldoende kledij, een job en kansen voor persoonlijke ontplooiing. Zo bezien heeft het merendeel van de Vlamingen niet te klagen.

Deze enquête zegt verder niets over hun gevoel van (spiritueel) welzijn. Dat is een heel ander verhaal, want ze blijven klagen en botsen met zichzelf en met de wereld waarin ze leven…

Uit een andere enquête blijken Vlamingen anderzijds ook te klagen (!) over het wegvallen van normen en waarden, zoals het gebrek aan veiligheid op de wegen, de heersende criminaliteit, het ‘dreigende gevaar’ van…

Misschien verwijzen deze normen en waarden voor veel Vlamingen ook naar mededogen, gelijkmoedigheid, vreugde, vrede en liefde, zoals ze door Thich Nhat Hanh worden omschreven? Misschien dromen Vlamingen van een vredevolle en hechte broederschap tussen alle volkeren, illegalen en Walen incluis?… Misschien zijn zij wel bereid een veel groter deel van hun inkomen te besteden aan ontwikkelingsprojecten, die ervoor kunnen zorgen dat mensen die op zoek zijn naar een menswaardig bestaan, hiervoor niet ‘op de vlucht’ moeten naar het andere einde van de wereld. Als dit zo is, dan heeft zich dat niet getoond in de democratische werking. Want Vlamingen hébben een keuzemogelijkheid: zij kúnnen kiezen voor tendensen die ijveren voor het tastbaar maken van wijsheid en mededogen.

Hoe beperkt en ‘onvolmaakt’ wij ook zijn, wij kunnen allemaal kiezen voor welwillendheid, ook al zal dit soms anders uitpakken dan wij hadden verhoopt. Zo is iemand als Thich Nhat Hanh vervuld van een doorleefd verlangen naar wereldvrede. Dat blijkt duidelijk uit de bespreking van zijn houding tegenover andere religies op p. 17. In zijn persoonlijk leven heeft hij de ellende van een vuile oorlog meegemaakt, en besloten vrede tot zijn missie te maken. En toch kwetst hij ongewild door zijn verregaand inclusivisme sommige gelovigen van andere religies.

Hier kan maar één ‘toverformule’ soelaas brengen: liefdevolle welwillendheid vanwege en voor alle wezens!

Goede wil betekent ook dat men er niet op uit is, zoals een politieke partij in Nederland, om het religieuze boek van één van de grootste wereldgodsdiensten, de Islam, te verbieden.
Goede wil betekent dat men wakker wil worden voor de ellende van een groot deel van de wereldbevolking.
Goede wil betekent dat men inziet dat alle wezens streven naar geluk, en dat zij daar meestal in falen omdat zij een verkeerde strategie toepassen.
Goede wil kortom, betekent begrip hebben voor de beperktheid van mensen.

José Pimienta spreekt in zijn tempelrede over De Drievoudige Toevlucht (p. 13) over een “spirituele intentieverklaring”: “een verklaring vanuit het besef dat we niet anders kunnen, vanuit het begrip en de wijsheid die er op dat moment zijn.”

Boeddhist worden, door de Drievoudige Toevlucht te nemen, betekent dat men al ontwaakt is tot het besef dat er een mogelijkheid bestaat om het lijden in de wereld op te heffen. Daarmee is nog niets gezegd over onze slaagkansen. Want hoezeer wij ook van goede wil zijn, door de Leer van de Boeddha in de praktijk te brengen beseffen wij pas goed hoe onmachtig wij zijn. Maar in de heilsoptiek, voor Amida, is dit onvermogen niet erg: wél de onwil, of het gebrek aan vertrouwen in de mogelijkheid van bevrijding en vrede. Kiezen voor overgave aan Anderkracht, de Geloftekracht van de bodhisattva, is uiteindelijk kiezen voor samenwerking met alle wezens van goede wil uit verleden, heden en toekomst, om zo wijsheid en mededogen zichtbaar te maken in de wereld.

Dat dit met volstrekt vertrouwen te maken heeft is duidelijk, het is de kern van de beleving van de Shinboeddhist. De vreugde en de dankbaarheid die ervaren worden bij het besef van de mogelijkheid tot ware bevrijding en vrede – je zou het ook hoop kunnen noemen - brengt ons er toe de Nembutsu in dankbaarheid uit te spreken.

Zoals Marcus Cumberlege schrijft in zijn ‘Hymne’:
‘Namu Amida Butsu [is] het minste dat gezegd kan worden’.
(“On the highways of this world, in the comfort of your bed, Namu Amida Butsu is the least that can be said.” – p. 11)

Namu Amida Butsu!

Martine Strubbe

Ekō 114

jikōji - 慈光寺

© 2007

info-at-jikoji.com
            home