Martine Strubbe
In ons vorig nummer werd de inclusivistische visie op andere religies van Masao Abe besproken, [7] . Groot punt van kritiek was toen de ‘positieloze positie’ waaruit Abe meende tot een dialoog met anderen te kunnen komen.
Een andere eminente vertegenwoordiger van het hedendaagse boeddhistische inclusivisme is de Vietnamese monnik Thich Nhat Hanh. Geboren in 1926, werd hij op 16 jarige leeftijd ingewijd als monnik in de Zentraditie, hoewel zijn tempel ook Reine Landpraktijken beoefende. Acht jaar later stichtte hij een instituut voor boeddhistische studies in Zuid-Vietnam, en in 1961 ging hij naar de U.S. om te studeren en te doceren aan de Columbia Universiteit en de Universiteit van Princeton.
Omwille van de oorlogsomstandigheden in zijn land, besloot hij in 1963 terug te keren naar huis. Beïnvloed door de geweldloosheid van Mahatma Gandhi, startte hij er een vredesbeweging. Onder zijn impuls zette hij o.a. scholen en gezondheidscentra op, en een organisatie die hielp de door de oorlog verwoeste dorpen her op te bouwen. Deze projecten riepen vijandigheid op van politieke tegenstanders, en sommige leden van zijn organisatie werden zelfs ontvoerd en vermoord.
Halverwege de jaren ‘60 stichtte hij in Vietnam de ‘Orde van Interzijn’ (Tiep Hien) waarin oefeningen in aandacht de kern van de praktijk uitmaken.
In 1966 keerde hij terug naar de U.S. om op te roepen tot stopzetting van de oorlog. Hij ontmoette er Martin Luther King, die Nhat Hanh nomineerde voor de Nobelprijs voor de Vrede. Ook bij Paus Paulus VI ging hij in audiëntie, om een vredesbeweging tussen Christenen en Boeddhisten te stimuleren. Nhat Hanh was (en is) overtuigd dat er een verband bestaat tussen innerlijke vrede en uiterlijke wereldvrede. Omwille van zijn overtuiging en actiewerk in Vietnam en elders in de wereld wordt Thich Nhat Hanh soms beschouwd als één van de grondleggers van het ‘Geëngageerde Boeddhisme’.
Nhat Hanh was delegatieleider bij de vredesbesprekingen in Parijs. Na het bereiken van een vredesakkoord in 1973, mocht hij echter niet terugkeren naar zijn land. Hij bleef als politiek vluchteling in Frankrijk waar hij het ‘Sweet Potato’ meditatiecentrum oprichtte, en later ‘Plum Village’ nabij Bordeaux. Pas enige jaren geleden werd Nhat Hanh toegelaten zijn geboorteland te bezoeken.
Dat Nhat Hanh aanvankelijk wat afkerig stond tegenover het Christendom had voornamelijk te maken met zijn vroegste ervaringen met deze religie. Christelijke missionarissen waren tijdens de Franse kolonisatie van Vietnam niet altijd tolerant opgetreden tegenover niet-christenen, en daarenboven trad het politiek - christelijke bewind discriminerend op tegen niet-christenen. Later leerde Nhat Hanh echter authentieke Christenen kennen, waardoor hij waardering ging opbrengen voor het Christendom, en hij zijn inclusivistische houding ontwikkelde.
Hij geraakte er gaandeweg van overtuigd dat elke doctrine waarachtig is, indien deze erin slaagt een authentieke religieuze ervaring tot stand te brengen. In die zin is de ervaring belangrijker dan de doctrinaire uitdrukking ervan. Deze klemtoon op de ervaring was ingegeven door zijn afkeer van woorden en concepten, zijn reserve ten aanzien van dogmatiek waardoor mensen oorlogen starten en elkaar uitroeien, zijn geloof in onthechting, en de nadruk die hij legde op de noodzakelijkheid van intuïtieve ‘breuk’ momenten.
In ‘Going Home: Jesus and Buddha as Brothers’ schrijft hij:
“De leer van de Boeddha gebruikt de term nirvana…Nirvana is de realiteit die niet kan uitgedrukt worden in concepten of woorden. Nirvana betekent letterlijk uitdoving, en uitdoving betekent hier uitdoving van de concepten en ideeën en woorden - zelfs van het woord Nirvana…Daarom moet je opletten met elk woord dat je gebruikt om het noumenale [8] mee aan te duiden. Je mag niet gevangen worden door dat woord…”
Eens er contact gemaakt is met de uiteindelijke werkelijkheid vervallen alle concepten. God en Nirvana als concepten zijn dan overstegen. Dergelijke authentieke ervaringen zijn het waarmerk van een waarachtige religie.
Thich Nhat Hanh stelt dat men op twee manieren over de Boeddha kan spreken: ofwel over de historische persoon, die leefde in Kapilavastu, ofwel over de ‘levende Boeddha’ – de Boeddha die onze diepste natuur is, en tijd en ruimte overstijgt…Deze Boeddha is een aanwezigheid in elk van ons. Kennis van de historische Boeddha is wetenschap, maar kennis van de Levende Boeddha is de kern van de ervaring van het Boeddha - pad. Om deze positie verder te verduidelijken gebruikte Nhat Hanh beelden uit het leven van de Boeddha. Zo stak de Boeddha tijdens een bijeenkomst een bloem op, zonder te spreken. De aanwezigen begrepen dit niet, en verwachtten een uiteenzetting. Maar die kwam er niet. Toen één monnik glimlachte, omdat hij de bloem onmiddellijk en werkelijk ervaren had, wist de Boeddha dat onderricht door woorden futiel is. Een ander voorbeeld is de vinger die naar de maan wijst: het woord is als een vinger die naar de maan wijst, het is de maan niet…
Nhat Hanh stelt dat alle grote tradities een gemeenschappelijke kern bevatten, en gebruikt hiervoor het oer - boeddhistisch beeld van het water en de golf: het water is de onderlinge gemeenschappelijke kern van alle religies, de golven zijn de diverse manifestaties of uitdrukkingen hiervan.
Deze kern wordt door Nhat Hanh in zeer vage termen omschreven. Hij verwijst alleen naar de elementen van gelijkmoedigheid, vreugde, vrede, wijsheid en liefde, die getuigen van die gemeenschappelijkheid.
Nhat Hanh schrijft in ‘Living Buddha, Living Christ’ dat de ‘religieuze ervaring de algemeen menselijke ervaring’ is. Het lijkt alsof hij zegt dat de levende Christus samenvalt met de Levende Boeddha, en dat christenen en boeddhisten door waarachtige beleving van hun religie op dezelfde ‘plaats’ uitkomen. Of je dan spreekt over ‘Nirvana’ of ‘Vader’ is niet meer belangrijk. Wat wél belangrijk is, is dat er een andere dimensie wordt ervaren. Tussen het Christendom en het Boeddhisme zijn willekeurige en onnodige begrenzingen aangebracht. Maar de ‘waarheid’ heeft geen grenzen. De verschillen tussen beide religies zijn ontstaan doordat zij andere punten benadrukken.
Daarom stelt hij voor dat alle religieuze tradities de Veertien Aandachtsoefeningen zouden aannemen. Deze veertien aanbevelingen werden opgesteld in zijn Orde van Interzijn. Door hier en daar een woord te veranderen zou het voor iedereen mogelijk moeten zijn zich achter deze oefeningen te scharen. “Indien je aanneemt dat de Heilige Geest de kracht heeft om aanwezig te zijn, om te begrijpen, om te genezen, om liefde te manifesteren, indien je dit aanneemt, dan kun je zeggen dat dit dezelfde is energie is als van een leven in Aandacht.”
Nhat Hanh gaat zover in zijn gelijkstelling van Christendom en Boeddhisme, dat hij de kruisiging van Christus op het zelfde niveau stelde als de zelfverbranding van de boeddhistische monnik Thich Quang Duc in 1963, tijdens de oorlog in Vietnam.
Toch durft Nhat Hanh ook naar echte verschillen tussen de religies te kijken, ondanks de ‘gemeenschappelijke kern.’ Zo verwerpt het Christendom, in tegenstelling tot het boeddhisme, opvattingen omtrent de wedergeboorte, maar neemt het bestaan van een eeuwige ziel aan, wat in de leer van de Boeddha dan weer ontkend wordt…Hij wil zich niet opsluiten in deze verschillen, maar de waarde van de diversiteit en van het luisteren naar anderen beklemtonen.
Nhat Hanh let er wel op niet te ver te gaan in zijn toenadering tot het Christendom, en het Boeddhisme als een soort Christendom te beschouwen, en het Christendom als een soort Boeddhisme. Een mango kan geen sinaasappel zijn zegt hij. Het zijn twee verschillende zaken, en dat moet erkend worden. Het is goed dat er verschillende soorten fruit zijn…zegt hij. Echter:
“Als je goed kijkt naar een mango en een sinaasappel, dan kun je zien dat ze beiden fruit zijn, ondanks hun verschillen.(…) Eerst zie je verschillen, maar bij nader toezien, ontdek je vele zaken die ze gemeen hebben. In de sinaasappel vind je zuur en suiker, die ook in de mango te vinden zijn.” (uit: ‘Going Home’)
Daardoor is hij ook in staat het volgende te verklaren:
“Soms erkent een boeddhist dat een christen meer boeddhist is dan een andere boeddhist. Ik zie een boeddhist, maar de manier waarop hij het Boeddhisme begrijpt, is soms erg verschillend van de manier waarop ik dat doe. Echter, wanneer ik naar een christen kijk, zie ik dat de manier waarop hij het Christendom begrijpt, en de manier waarop hij liefde en liefdadigheid beoefent, dichter staat bij de manier waarop ik deze bedrijf, dan bij de manier waarop de man die zichzelf boeddhist noemt, dat doet. (uit: ‘Living Christ, Living Buddha’)
Nhat Hanh kan aanvaarden dat mensen meerdere religieuze wortels hebben. Hijzelf identificeert zich zowel met de christelijke als met de boeddhistische traditie. In Plum Village viert zijn Orde van Interzijn de Eucharistie en worden er met kerstmis kerstliederen gezongen. Op zijn altaar staan een tiental Boeddhabeeldjes en een Christusbeeld. Jezus beschouwt hij als één van zijn voorouders.
Ook heeft Nhat Hanh bij diverse gelegenheden er op gewezen dat sommige westerlingen die naar hem komen om boeddhist te worden, zich beter zouden onderdompelen in hun eigen plaatselijke tradities. Oefeningen in aandacht kunnen deze mensen hierbij helpen.
De verschillen tussen religies ziet hij als uitingen van ‘geschikte middelen’, aangepast aan een specifieke context en culturele omgeving, terwijl de dieperliggende intentie dezelfde is. Toen Jezus sprak was dit altijd tot een bepaalde persoon of groep, tijdens een specifieke gelegenheid, en het is binnen die context dat zijn woorden moeten begrepen worden. Hetzelfde geldt voor de Boeddha.
In het Charter van de Orde van Interzijn staan vier principes die aan de basis liggen van de Orde, en tot vrede en verzoening leiden. Deze zijn:
niet-gehechtheid aan opvattingen, (het belangrijkste punt in de Leer); het belang van onmiddellijke ervaring;
het aangepast zijn van de methode aan de mogelijkheden en behoeften van de mensen;
het gebruik van geschikte middelen (upaya).
Nhat Hanh gebruikt ook de idee van de universele Boeddhanatuur om de gemeenschappelijke kern te benadrukken:
“De Boeddha beschreef het zaad van de Aandacht die in elk van ons aanwezig is, als de ‘baarmoeder van de Boeddha’ (tathāgatagarbha). Wij zijn allemaal de moeders van de Boeddha omdat we allemaal zwanger zijn met de mogelijkheid van het ontwaken.” (…) Als we kunnen zorg dragen voor onze baby Boeddha door aandacht te beoefenen in ons dagelijks leven, dan zal op een dag de Verlichte zich tonen aan ons.” (Uit: ‘Living Buddha, Living Christ’)
“Iedereen heeft Boeddhanatuur en iedereen is een Boeddha in de kiem. Zeggen dat je een Boeddha bent, is spreken vanuit een historische dimensie. Maar vanuit de ultieme werkelijkheid bekeken, ben je al Boeddha.” (cfr.spr.)
De golf is al het water. De mogelijkheid tot Verlichting is universeel.
Een kritiek op bovenstaande argumenten is volgens Beise Kiblinger dat Nhat Hanh de anderen ziet als anonieme boeddhisten. Hij heeft een grote neiging om het Christendom uit te leggen vanuit een boeddhistische beleving, maar gaat hierbij wel selectief te werk. Elementen die hij niet kan gebruiken, negeert hij. Zo spreekt hij wel over God, als hij daarmee het uiteindelijke Nirvana wil aanduiden, maar hij zal nooit over God spreken als een persoon. Ook doet hij beroep op onorthodoxe bronnen, zoals het Evangelie van Thomas, of uit het gnostisch christendom. Hij citeert Origenes om aan te tonen dat de idee van wedergeboorte in het Christendom ook voorkomt…
Dat deze manier van werken beledigend kan zijn voor de Christenen waarmee hij zich toch ten dele mee identificeert, blijkt uit de manier waarop hij o.m. de eucharistie bekijkt. Voor hem is dat een oefening in aandacht, een middel om onze waarachtige natuur in herinnering te brengen. Hij viert de Eucharistie dan ook niet in een kerkgebouw, maar in de open lucht, waar hij samen met de anderen het brood eet met aandacht en dankbaarheid, bewust van de schitterende natuur van het brood. Hierbij negeert Nhat Hanh de omvormende kracht en betekenis die de Christenen aan dit ritueel geven, een ritueel dat tot de essentie van de Christelijke beleving behoort.
Zo ziet hij ook in de christelijke incarnatie het boeddhistisch concept van niet-tweeheid: dat van God de Vader en de zoon Jezus.. Het feit dat Jezus zowel mens is én zoon van God, zou dan voor een boeddhist gemakkelijk aan te nemen zijn.
Ook waar Thich Nhat Hanh ‘aandacht’ gelijkstelt met ‘de energie van God’, nl. de Heilige Geest, stelt hij zich puur boeddhistisch op. Temeer dat hij vindt dat men af moet van de notie van God de Vader, want het is de Heilige Geest (dus ‘aandacht’) die de ware deur is tot de uiteindelijke werkelijkheid.
Een ander punt van kritiek op de inclusivistische houding van Nhat Hanh betreft zijn ander vertrekpunt voor de interreligieuze dialoog. Net als Masao Abe, gebruikt hij de ‘positieloze positie’ (‘śunyatā’ – ‘leegheid’) als argument voor zijn inclusivisme. Het boeddhisme onderwijst niet enkel de ‘leegheid’ maar ook de onthechting van ‘leegheid’ en de onthechting van ‘vorm’ (de Middenweg), én de onthechting van het concept ‘leegheid’ zelf.
Een boeddhist die gehecht is aan welke doctrine dan ook, verraadt de Boeddha, want alle theorieën zijn slechts vingerwijzigingen en zijn niet de ultieme waarheid.
Het problematische aan deze visie voor de interreligieuze dialoog is dat streven naar dergelijke onthechting ook een standpunt is: elke uitspraak en elke waarde sluit een andere uitspraak en een andere waarde uit.
Dergelijke mystieke of intuïtieve uitspraken – zeker in de perceptie van mensen die zelf dit inzicht niet hebben - kunnen het boeddhisme niet bevrijden uit zijn conflicten met andere religies. Het boeddhisme blijft een religie tussen andere religies.
Het voordeel van een benadering vanuit de leegheid, is dat het hierdoor voor Nhat Hanh ook mogelijk is andere religies vanuit een positieve hoek te benaderen, wanneer hij het aspect onderlinge afhankelijkheid als een positieve bron aanboort om er de diversiteit mee te legitimeren: “De geest die alle dingen ziet in hun onderlinge afhankelijkheid, overstijgt alle theorieën”.
Algemeen zou men kunnen besluiten dat Thich Nhat Hanh’s anonieme boeddhisme en zijn opvatting van een gemeenschappelijke kern in alle wereldreligies (een kern die dus boeddhistisch blijkt te zijn!) de verschillen tussen de religies opheft en de neiging heeft de andere religie op te slorpen – ondanks enkele pogingen die het tegendeel lijken te beweren….
[7] Zoals werd beschreven in: Kristin Beise Kiblinger – Buddhist Inclusivism – Attitudes Towards Religious Others – Ashgate 2005 – ISBN 0 7546 5133 9
[8] Het ‘heilige’ (nvdr)
|
|
|
|
|
|
Ekō 114 |
|
|
|
|
|
|
Religieus Inclusivisme |
|
© 2007 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |