Martine Strubbe
“Indien ik Boeddha word en alle wezens in de tien richtingen, die met oprecht gemoed en vreugdig vertrouwen verlangen in mijn land geboren te worden, mijn Naam zelfs maar tienmaal uitsprekend, zouden niet aldaar geboren worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken. Met uitzondering evenwel van diegenen die de vijf zware vergrijpen begaan hebben en de Ware Leer beklad hebben.”
Sukhavatī Vyuha Sūtra (Groot Sutra): Achttiende Gelofte.
Iemand die in contact komt met de Leer van de Boeddha wordt gegrepen door de wijsheid en het mededogen dat getoond wordt. Het is dan ook een grote ontgoocheling te moeten vaststellen dat in de 18e gelofte, het spilmoment in de Jōdo-Shinshū, zo’n schabouwelijke uitspraak wordt gedaan over de uitsluiting van diegenen die de vijf zware vergrijpen zouden hebben gepleegd. Hoe moeten wij hier mee omgaan?
Een tijdje geleden brandde hierrond een gesprek los in de cyber sangha.
Jotoku, een sanghagenoot uit Zuid-Duitsland zegt dat deze uitsluiting ook voor hem een tijdje een groot probleem is geweest. In het begin volgde hij het advies van zijn Japanse vrienden, die hem aanraadden die clausule gewoon te negeren. Maar na een tijdje begon het toch weer te knagen, hoe kan er nu sprake zijn van een uitsluiting als Boeddha de belichaming is van mededogen en wijsheid... En twijfelen aan de betekenis van Amida zou het hele fundament van het Reine Landboeddhisme doen wegzakken en zou de Leer van de Boeddha in gevaar brengen. Wat nu?
Adrian Cirlea, onze Roemeense sanghagenoot, merkt op dat in diverse passages in de geschriften van Shinran Shonin er op gehamerd wordt dat het niet door het naleven van regels en voorschriften is dat men zich kan bevrijden uit geboorte en dood.
In Tannishō 16 leest hij: „Misschien is het mogelijk dat iemand in staat is de Geboorte te verwezenlijken door van ‘s ochtends tot
‘s avonds bij elk klein voorval een omkering van het gemoed te bewerkstelligen. Maar het menselijk bestaan is zo onbestendig: plots stokt de adem tussen uitademen en inademen, en dan eindigt het leven, totaal onverwacht. Wanneer ons bestaan zo abrupt eindigt zonder dat we die diepe omkering van het gemoed kennen, of zonder dat we ons tot een attitude van welwillendheid of verdraagzaamheid kunnen brengen, zou dan de Gelofte van omvat te worden en nooit meer losgelaten zomaar zinloos geworden zijn?”
Omdat de Boeddha onmeetbaar mededogen is is het absurd te stellen dat wij niet zouden opgenomen zijn in deze werkzaamheid omwille van onze onwetendheid en onvermogen. Dit zou volledig voorbijgaan aan het wezen van de ‘bodhicitta’ en aan de meest elementaire mahayana geloften. Het is niet mogelijk dat de Boeddha eerst een uitspraak van onvoorwaardelijk mededogen doet, en dan onmiddellijk erna dit zou ontkennen of het tegendeel zou beweren, concludeert Adrian. Amida kent de menselijke aard. Hij sprak zijn geloften niet uit voor diegenen die in staat zijn de Verlichting op eigen houtje te realiseren.
Shinran was altijd duidelijk wat betreft deze uitsluiting: zelfs de meest verwerpelijke wezens zijn opgenomen in de mededogende werkzaamheid van de Ander-Kracht. Op het moment van het oprijzen van het volstrekte vertrouwen doet zich een omkering van het gemoed voor. Dit betekent dat wij op dit moment volkomen inzien in welke hopeloze spirituele toestand wij ons bevinden. Wij zien dan in dat wij doorlopend gedreven worden door de werkingen van ons onheilzaam karma maar tezelfdertijd aangeraakt worden door de heilzame werking van Amida. In deze ervaring worden wij beschermd tegen illusies, en wordt de richting van ons leven grondig omgebogen, in rechte lijn naar het Boeddhaschap.
Hoewel deze uitsluitingsclausule in het Groot Sutra staat, is het merkwaardig vast te stellen dat in het Amitāyur Dhyāna Sūtra (het Meditatie Sutra) nergens sprake is van dergelijk voorbehoud. In dit sutra vertelt Śakyamuni over een stervende man, die in zijn leven de 5 zware vergrijpen en de 10 overtredingen heeft gepleegd, en elke soort van onheilzame handeling heeft verricht. Ook deze persoon kan geboren worden in het Reine Land indien hij een goede spirituele leraar ontmoet, naar de raadgevingen luistert en de Naam van de Boeddha reciteert, al ware het slechts tien keer.
“Zij die de vijf zware vergrijpen en de tien overtredingen begaan hebben, en die behept zijn met allerlei onheilzame tekenen zullen ook Geboorte realiseren”
Er is ook een verhaal bekend over de Boeddha die zwaar beledigd was geweest door één van zijn kennissen. De volgende dag had deze man wroeging en vroeg vergiffenis aan de Boeddha. De Boeddha antwoordde: “Sta op, diegene die nu voor mij staat is niet dezelfde als diegene die mij gisteren beledigde.” Zo kan ook de nembutsu volgeling altijd verzekerd zijn van het mededogen van de Boeddha.
Amida is de belichaming van Wijsheid en Mededogen en de belofte van bevrijding voor alle voelende wezens. Wat de Boeddha hier verklaart is hetzelfde als wat in Amida’s gelofte tot uitdrukking komt. Het resultaat is ‘vertrouwen’, het soort vertrouwen dat een vlam ontsteekt. Het is een vertrouwen dat niet door onze eigen inspanningen ontstaat, maar door de welwillendheid van Amida. Dat is wat wij ‘Shinjin’ noemen.
In het Groot Sutra lezen wij over nog andere uitsluitingen. Jotoku wijst op een grove vrouwonvriendelijke uitspraak in de vijfendertigste gelofte:
“Indien ik Boeddha word en de vrouwen in de ontelbare onvoorstelbare Boeddhawerelden, die mijn Naam gehoord hebben, zich in dit vertrouwen verheugen, in zich het Bodhi-gemoed gewekt hebben en afstand doen van hun vrouwelijkheid, zouden toch als vrouwen herboren worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken”.
En meteen zag Jotoku het verband tussen deze vormen van uitsluiting:
Religie heeft verraad nodig om werkelijk religie te kunnen worden zegt hij. Hij denkt hierbij aan Śakyamuni’s neef Devadatta, zijn nauwe verwant die hem herhaaldelijk verraden heeft. Misschien is dit soort verraad wel de reden waarom zovele Christenen Judas mogelijks als de belangrijkste apostel zien.
Een religie verliest haar onschuld in dit verraad. Maar zonder dit verraad zou religie dogma worden. Heeft de Boeddha niet gezegd alles te onderwerpen aan een kritisch onderzoek? En zijn precies daardoor dogmatische teksten niet mogelijk in het boeddhisme?
We kunnen niet ontkennen dat de sutra’s opgesteld werden in mensentaal, en dus niet noodzakelijk de oorspronkelijke bedoeling van de Boeddha precies weergeven. Ook de inbreng van vertalers en de invloed van politieke en morele tendensen in een maatschappij, zoals het Confucianisme in China, hadden onmiskenbaar een invloed bij het tot stand komen of het behouden van onzinnige ‘uitsluitingclausules’.
Jim Pym, een eminent sanghalid uit Groot-Brittannië, sluit deze discussie als volgt af: “Er is een eenvoudige test om uit te maken of een tekst of een gedeelte ervan gegeven werd door de stichter of nadien werd toegevoegd door personen die uit waren op macht binnen de hiërarchie van hun religie. Het is simpelweg dit: is wat er geschreven staat in overeenstemming met Volkomen Mededogen?”
De Boeddha sluit niemand uit, en Shinran wist dit. Hij heeft duidelijk gesteld dat de Gelofte er voor iedereen is, de grootste zondaars nog eerst: ‘Zelfs de goede mens wordt geboren, zonder enige twijfel dan ook de slechte mens’. Daarom komen wij tot de weg van het Reine Land, omdat er geen andere vorm van hoop is. Mogen wij leven in dit mededogen, en geen uitsluitingen aanvaarden. Deze werden heel zeker toegevoegd door mensen die een onvolkomen inzicht hadden. Laten wij hen het voordeel van de twijfel geven en stellen ‘dat ze het goed bedoeld hebben’. En er verder geen woorden meer aan vuil maken.
|
|
|
|
|
|
Ekō 116 |
|
© 2008 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |