Religie helpt de mens om zin en betekenis te vinden voor zijn leven, door hem in contact te brengen met een diepere dimensie in zijn bestaan, en hem bewust te maken van een onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid. Hoe kan het dan zo ver gekomen zijn dat religie vandaag beschouwd wordt als bron van onwetendheid, van geweld en dogmatiek? In de U.S. spreekt men van the ‘R’ word, een vies woord waar een taboe op rust.
Deze kwestie heeft ontegensprekelijk te maken met een fundamentele onwetendheid, niet zozeer - of niet alleen - vanwege diegenen die religie afwijzen. De gelovigen zelf hebben ervoor gezorgd dat religie een kwalijke reputatie heeft gekregen.
De diepgewortelde neiging van de mens om zich vast te klampen aan alles wat zijn ego kan ondersteunen en vergroten wordt niet zomaar in één twee drie uitgeroeid. Ook in zijn religieuze praktijk brengt hij deze neiging tot repetitief ‘cirkelgedrag’ mee. Rituelen en teksten zijn dan het enige stukje drijfhout geworden waaraan hij zich vastklampt om niet te verdrinken. De ‘veilige’ haven die hij gevonden heeft wil hij niet meer prijsgeven. Iedereen die deze haven bekritiseert of afwijst, of die een andere mogelijkheid naar voor brengt wordt dan de ‘vijand’ die moet bestreden worden…En meestal staat ook het instituut, dat de religie ‘in goede banen’ moet leiden paraat om de religieuze ‘identiteit’ veilig te stellen.
Heeft de Boeddha niet gezegd dat wij niets klakkeloos ‘voor waar’ mogen aannemen, ons nergens mogen aan hechten, niet aan zijn eigen woorden noch aan die van anderen? Dat wij al het religieuze ‘speelgoed’ dat ons kan vermaken en ‘verstrooien’ uiteindelijk moeten weggooien? Is de bedoeling van religie niet uiteindelijk te kunnen leven zónder religie? Moet religie zichzelf niet overbodig maken? Religie is een middel, geen doel op zich.
Maar hoe los je al die misverstanden op? In het artikel ‘Het Doden van de Boeddha’ (p.13 ) staat een mogelijke denkpiste. De auteur van het artikel, Sam Harris, voelt zich geneigd de leer van de Boeddha uit de sfeer van het religieuze te halen, uit de ‘religie van het boeddhisme’, om zo de Leer niet te bezoedelen met de vooroordelen tegen ‘religie’ in het algemeen, en met uitwassen in het ‘boeddhisme’ in het bijzonder. Hij zou liever spreken over Contemplatieve Wetenschap, met onderzoeksmethodes die trouwens niet exclusief ‘boeddhistisch’ kunnen genoemd worden.
Dit kan een geschikt middel zijn. Het is echter ook mogelijk dat hierdoor ‘het kind met het badwater’ wordt weggegooid, en de deur voor een aantal mensen wordt afgesloten. Geen eenvoudige kwestie!
Het is een feit dat ook de Leer van de Boeddha gezuiverd dient te worden van ballast die er zich op heeft afgezet in de loop der tijden. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de westerse boeddhist om ervoor te zorgen dat de Leer van de Boeddha zo zuiver mogelijk wordt uitgedragen, wars van bijgelovig of dogmatisch gedrag, handelend vanuit de geest van de Leer. Het ‘Doden van de Boeddha’ kan een uitnodiging zijn het eigen gedrag en strategie onder de loep te nemen.
In het artikel verwijst Harris ook naar de kwalijke relatie tussen religie en geweld. Wat een paradox, religies die vrede en harmonie willen brengen in de wereld verliezen zich in geweld… Maar behoort geweld tot het wezen van religie? Is het niet veeleer eigen aan de mens? Terwijl dit ‘ten geleide’ wordt geschreven vechten in Anderlecht allochtone jongeren met voetbal (!) hooligans. Het zit gewoon in de aard van het beestje. Mensen kunnen altijd redenen vinden om elkaar te lijf te gaan. In het verhaal van Boeddha en de Twee Koningen (p.9) kunnen we lezen hoe absurd de wortels van geweld en oorlog zijn…
Om te eindigen, het woord van de dichter ‘gezegende maagden met hun kinderen buigen voor jouw [Amida’s] superieure wijsheid – en dit is dwaasheid voor de wereld’ verwoordt de vooroordelen over religie, als een ‘definitie’ (p.20)
Martine Strubbe
|
|
|
|
|
|
Ekō 117 |
|
© 2008 |
info-at-jikoji.com | ||||
| home |