Boeddha en de Twee Koningen

Een mooie illustratie van de manier waarop oorlogen in de geest van de mensen ontstaat, is te vinden in een boeddhistische legende van “De Boeddha en de Twee Koningen.”

Twee machtige clans in het noorden van India, de Shakya’s (waartoe ook de Boeddha zelf behoorde) en de Koliya’s, die voor vele jaren vredig naast elkaar hadden geleefd, begonnen op een bepaald ogenblik zich voor te bereiden om een oorlog tegen elkaar te beginnen. Aan beide zijden deden haatverhalen de ronde waardoor de bevolking zich begon te bewapenen en schreeuwde om weerwraak tegen ingebeelde beledigingen. Hun legers marcheerden naar het slagveld en bereidden zich voor op actie. Toen kwam de Boeddha zelf in hun midden. Hij ging op een blok hout zitten dat op het slagveld lag. Het nieuws spreidde zich snel en de koningen van de rivaliserende clans haastten zich om hun eer te betonen aan hem.

De chef van de Koliya’s knielde aan de ene zijde en de chef van de Shakya’s aan de andere. De Boeddha richtte zich tot de Koning van de Koliya’s: “Vriend, wat heeft u tot hier gebracht? Waarom hebt u het nuttig gevonden de oorlog te verklaren?”

“Sire,” antwoordde de Koning van de Koliya’s, “het is een duistere list. De Shakya’s hebben ons lang beschimpt met van alles, noemden ons lafaards en kuddegrazers en goddelozen, want ze zegden: ‘Jullie hebben geen Prins van het Licht voortgebracht, een god tussen de mensen.’…”

“Maar wat, mijn vriend,” onderbrak de Boeddha, “was het feit, het woord of de daad die u ertoe aanzette de oorlog te verklaren?”

“Prins tussen de mensen,” antwoordde de Koning van de Koliya’s, “ik zal het u vertellen… of beter, met uw permissie, zal ik mijn eerste minister opdragen het u te vertellen, want die weet er alles van.”

Aldus werd de eerste minister opgeroepen en zijn meester vroeg hem aan de Boeddha te vertellen waarom het voor de Koliya’s nodig was de oorlog te verklaren.

“Prins tussen de mensen,” antwoordde de eerste minister, “we verklaarden de oorlog omdat de Shakya’s ons lang beschimpt hebben in feit, woord en daad.”

“En wat mag dat dan alstublieft zijn?” vroeg de Boeddha.

De eerste minister voelde zich in verlegenheid gebracht: “Prins tussen de mensen,” zei hij, “ik zal mijn secretaris vragen het allemaal uit te leggen. Hij begrijpt iedere omstandigheid in deze zaak.”

Aldus werd de secretaris opgeroepen: “Gelieve aan de Hoogverhevene de redenen uit te leggen waarom wij aan de Shakya’s de oorlog verklaren,” droeg de eerste minister op.

“Prins tussen de mensen,” antwoordde de secretaris, “zoveel smaad hebben ze ons toegespuwd - ze noemden ons lafaards en kuddegrazers - dat we zegden dat we zouden terugvechten van zodra we de kans kregen. Al met al, ook wij zijn krijgers.”

“Maar, mijn vriend,” zei de Boeddha, “vertel me over die smaad.”

“Mijn geheugen laat me in de steek, Hoogverhevene… maar mijn persoonlijke assistent weet er alles van. Mag ik hem erbij roepen?”

“Maar natuurlijk,” reageerde de Boeddha, “als je er zeker van bent dat hij de zaak kan uitleggen.”

“Oh, ik ben er zeker van dat hij het kan uitleggen. Hij heeft een uitstekend geheugen.”

Maar, helaas, ook het geheugen van de persoonlijke assistent faalde. “Het spijt me,” zei hij, “ik kan het me niet herinneren. We zouden ten oorlog gaan, en daarom ben ik er zeker van dat het een zeer ernstige zaak moet geweest zijn…”

‘Jij moet het je zeker kunnen herinneren…” porde de secretaris hem aan.

“Wel, ik meen met te herinneren,” zei de arme assistent die meer en meer zenuwachtig werd, “dat het over wat water ging.”

Dit leek zo lachwekkend dat zelfs de toehoorders ermee lachten. De Boeddha echter lachte niet. Hij bleef ze echter geduldig ondervragen op welke gronden de Koliya’s de oorlog verklaard hadden aan de Shakya’s.

“Roep de hoofdklerk,” beval de eerste minister. De hoofdklerk werd erbij geroepen en hem werd om de reden voor de oorlog gevraagd.

Boeddha en de Twee Koningen - Bron: The Illustrated Weekly of India, 20/05/1956

 “Het spijt me,” reageerde hij, “ik kan het me niet herinneren, maar de hulpgriffier weet het vast.” Aldus werd de hulpgriffier erbij geroepen, en de ondergriffier, en zijn assistent, en het districthoofd. Uiteindelijk werd, in uiterste wanhoop, de dorpsoverste, Ananda Simhala, erbij geroepen - die toevallig dienst had in de troepen die klaar stonden om ten strijde te trekken. Hij werd tot bij de Boeddha gebracht die hem zei:

“Mijn vriend, waarom zei u van alles tegen de Shakya’s en wil u oorlog tegen hen voeren?”

“Prins, het was alzo,” reageerde de dorpsoverste, “Al een, twee, drie jaren is er geen regen gevallen, en het dorp is in stille miserie terecht gekomen. Het water uit de rivier is weggesijpeld totdat er niets meer over bleef dat door de dorstige stier kon opgezogen worden. En wij hebben, zoals u weet, veel stieren.”

“Ja,” zei de Boeddha rustig, “maar, ga verder, mijn vriend.”

“Wel, Prins tussen de mensen,” zei Ananda Simhala, “ik had vernomen dat de Shakya’s een dam van stenen en modder hadden gebouwd om water naar hun velden te brengen. En ik schreeuwde om wraak jegens deze mensenzonen, omdat zij water zouden hebben, terwijl wij verhongeren. Aldus ging ik de volgende dag naar het dorpshuis en gaf een kokosnoot en bloemen aan de klerk, en die zij ‘Ja’ en die sprak tot zijn chef, en zijn chef tot diens chef, en deze chef weer tot de hoogste chef, totdat…”

“Totdat wat?” vroeg de Boeddha.

“Wel, totdat ik amper de tijd had om terug te gaan en mijn zwaard te nemen en mijn wapenuitrusting aan te gespen of de dorpsraad had de oorlog al verklaard. Ziet u, Vader van alle mensen, wij zijn arm. En ik, als hoofd van het dorp, heb zulke miserie gezien.”

Plots stopte het dorpshoofd en keek in schaamte naar de grond. Er was een lange stilte, tot de Boeddha sprak: “Ziet u, vrienden, jullie gaan oorlog voeren om een beetje water dat zelfs niet eens bestaat. Ga heen, onwetende lui, en mogen jullie het edele voorbestemde pad der bevrijding volgen. Niet door haat wordt haat tenietgedaan. Alleen door niet-haat wordt haat teniet gedaan. Dit is een eeuwige wet.”

Op deze manier werd de vrede tussen de Shakya’s en de Koliya’s hersteld.

Uit hoffelijkheid: Unesco - Bron: The Illustrated Weekly of India, 20/05/1956 (Vertaling: Fons Martens)

Ekō 117

jikōji - 慈光寺

© 2008

info-at-jikoji.com
            home